In de zomer laat Rijnland in Gouda water uit de Hollandsche IJssel in naar de boezem. In de zomer is er namelijk een extra waterbehoefte in het beheersgebied van Rijnland. Het inlaatwater heeft als doel het oppervlaktewater op het juiste peil te houden en de waterkwaliteit te borgen door middel van doorspoeling. Een onderzoek moet de waterbehoefte van Rijnland in de toekomst beter in beeld brengen. Hieronder zijn de onderwerpen aangegeven die in dit artikel behandeld worden.
Waarom water inlaten
Verzilting
Schade door verzilting
Oorzaken van verzilting
Toekomstige waterbehoefte en verzilting
Studie waterbehoefte en verzilting
Resultaten eerste fase
Resultaten tweede en derde fase
Communicatie
Links
Jaarlijks wordt, afhankelijk van de zomer, ongeveer 40 tot 100 miljoen kubieke meter water ingelaten. Dit inlaten valt in de periode mei tot en met september.
Ten eerste is er water nodig om de verdamping te compenseren. Zo is er verdamping uit het open water. Maar ook alle bomen en planten verdampen veel water.
|
Ten tweede is er ook water nodig om het watersysteem door te spoelen. In de zomer komt er veel zout water uit diepe polders aan het oppervlak en dit zoute kwelwater moet worden afgevoerd. Doordat er in de zomer geen overschot aan neerslag is, moet er extra water worden aangevoerd om het watersysteem te kunnen doorspoelen.
De aanvoer in verband met de verdamping en de aanvoer voor het doorspoelen bedragen ieder ongeveer 50% van de totale inlaat bij Gouda.
De aanvoer van zout kwelwater naar het oppervlaktewater veroorzaakt een toename van het zoutgehalte in dat water. Dit verschijnsel noemt men verzilting. De verzilting kan afhankelijk van de droogte in de zomer schade voor de landbouwsector veroorzaken.
In het dagelijkse beheer is het voor Rijnland mogelijk het zout in het water (chloridengehaltes) van het oppervlaktewater onder de vastgestelde normen van het rijk te houden. Op enkele locaties lukt dit niet voldoende. In een zeer droge zomer is het ook niet mogelijk.
De opbrengsten van de zogenaamde zoutgevoelige gewassen (in de sier- en heersterteelt, bij bollen en in de glastuinbouw) nemen af als het chloridengehalte van het grondwater of het beregeningswater te hoog wordt. Deze gewasschade is nadelig voor de agrarische sector. Ook de natuur ondervindt schade door verzilting. Dit speelt vooral bij fluctuaties in de chloridengehaltes van het water.
![]() | ![]() |
In een jaar voeren de boezemgemalen ongeveer 170.000 ton chloride af uit het boezemsysteem. De belangrijkste processen en activiteiten die momenteel tot deze zoutbelasting van het oppervlaktewater leiden, zijn:

De waterbalans, een overzicht van de aanvoer en afvoer van water, zal door een klimaatverandering wijzigen. Naast een toenemende afvoer zal de waterbehoefte voor peilhandhaving in het gebied van Rijnland wellicht toenemen.
Ook zal door klimaatverandering, zeespiegelstijging en bodemdaling de kwel en daarmee de hoeveelheid water en de chloridenbelasting vanuit het grondwater in de toekomst toenemen.
Ontwikkelingen als het "Ander beheer van de Haringvlietsluizen" (Getemd Getij) na 2015 en veranderingen in de Rijnafvoer ten gevolge van klimaatverandering zullen ertoe leiden dat de Hollandsche IJssel in de toekomst vaker verzilt. Hierdoor zal het inlaten van zoet water via de Hollandsche IJssel minder goed mogelijk zijn.
![]() | ![]() |
Eventuele uitbreiding van de sluizen bij IJmuiden (Zeepoort IJmond) zal een toenemende verbrakking van het Noordzeekanaal tot gevolg hebben. Dit kan leiden tot een verdergaande verzilting van het noordelijke deel van de boezem via de schutsluis bij Spaarndam.
Functiewijzigingen in het gebied (steden, natuur) stellen veranderende eisen aan de waterkwaliteit en kunnen daarmee eveneens reden zijn voor veranderingen in de waterbehoefte.
Kijkend naar de toekomst zijn er ontwikkelingen die tot een toenemende verzilting kunnen leiden. In het waterbeheersplan van Rijnland en de inliggende waterschappen, dat voor de periode 2000-2004 is vastgesteld, is een studie naar de verzilting aangekondigd. Deze studie is uitgebreid tot een studie naar de waterbehoefte voor zowel peilhandhaving als verziltingbestrijding en is in 2006 afgerond.
Deze studie kent drie fasen. In de eerste fase (2002) worden de huidige situatie en de toekomstige ontwikkelingen bij voortzetting van het huidige beleid zo goed mogelijk in kaart gebracht. Hierbij wordt gewerkt met de drie mogelijke klimaatscenario's voor 2050.
In de studie komen de volgende aspecten aan de orde:
In de tweede fase worden oplossingen en maatregelen tegen elkaar afgezet, rekening houdend met de grootte van de problematiek. In de derde fase worden op basis van deze resultaten keuzes gemaakt in de te treffen maatregelen.
Tussenresultaten van de eerste fase zijn te vinden in het Engelstalige artikel: "Actual and future brackish water intrusion in the Waterboard of Rijnland, the Netherlands (pdf) ". In het artikel zijn de trends in de water- en chloridenbalans over de periode van 1970 tot 2000 samengevat. De ontwikkelingen in de kwel en de chloridenbelasting vanuit het grondwater onder invloed van autonome verzilting, zeespiegelstijging, bodemdaling en klimaatverandering evenals een eerste inschatting van de effecten van externe ontwikkelingen voor het beheersgebied zijn met de beschikbare gegevens gekwantificeerd.
De resultaten van de eerste fase zijn gerapporteerd in Verzilting en Waterbehoefte, onderzoek beleidsopties, kwantificering probleem juli 2007 (pdf) . Een samenvatting (pdf) hiervan is behandeld in de VV van 1 november 2006. Hier is besloten tot uitwerking van de volgende beleidslijnen:
a) accepteren verzilting, met specifieke aandacht voor de schaarste- en grondgebruikproblematiek en de consequenties voor vermindering van de doorspoeling van polder- en boezemstelsel.
b) actieve bestrijding verzilting, met daarbij de volgende maatregelen om uit te werken:
Fase 2 en 3 worden op dit moment gecombineerd uitgewerkt en moet leiden tot een visie op het thema verzilting en waterbehoefte voor het waterbeheerplan 4. In fase 2 worden de consequenties van de nieuwe KNMI scenario’s (2006) meegenomen.
In de eerste fase van het onderzoek is de interactie met de omgeving gering, omdat de studie zich vooral op de onderbouwing richt. In de tweede en derde fase zal de communicatie met de omgeving breder van opzet zijn, omdat oplossingen en maatregelen dan concreter in beeld komen. Tussentijdse resultaten zullen op gezette tijden op deze site worden geplaatst.
Rijnland is al bezig met het uitwerken van een aantal potentiële maatregelen, deze zijn elders op de site geplaatst. Het gaat ondermeer om:
Ook andere instanties oriënteren zich op toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van de watervoorziening en verzilting.
In het kader van verzilting en watervoorziening zijn de volgende sites interessant:
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met: Birgitta van der Wateren, birgitta.wateren@rijnland.net (071- 306 3375) of Frans van Kruiningen frans.kruiningen@rijnland.net (071-306 3320)
