Een goede visstand maakt onderdeel uit van de ecologische doelstelling voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Hiertoe moet voor de verschillende Rijnlandse wateren bekend zijn wat de kwaliteit van de visstand is. Inzicht in de visstand is niet alleen van belang voor de waterbeheerder, maar ook voor de visrechthebbenden en de beheerders van de wateren.
In 2006 en 2007 zijn verschillende gebieden in het beheersgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland onderzocht. Uit het onderzoek komt naar voren dat er veel eurytope soorten (soorten die in staat zijn zich aan te kunnen passen een brede waaier van condities) worden aangetroffen. Biomassa’s variëren van 10 tot 264 kg/ha. In de grotere wateren domineert met name de brasem.
De resultaten worden gebruikt voor verdere beleidsontwikkeling om waar nodig te komen tot een verbetering van de visstand.
De visstandbemonsteringen zijn uitgevoerd volgens de landelijk afgesproken richtlijnen (STOWA handboek Visstandbemonstering). Met deze methode wordt een bepaald oppervlak op standaardwijze bevist met een vangtuig waarvan het vangstrendement bekend is. De wijze van bemonsteren en de gehanteerde vangtuigen kunnen per water(type) verschillen.
In de onderstaande tabel staat de hoeveelheid vis die per ha in de verschillende wateren is gevangen.
Polders (gebufferde laagveensloten) | kg/ha |
|---|---|
Polder Oukoop en Viertel | 97 |
Polder Sluipwijk | 264 |
Polder Stein | 147 |
De Wilck (polder Groenendijk) | 28 |
|
|
Grote wateren |
|
Braassemermeer | 176 |
Broekvelden Vettebroek | 10 |
’t Joppe | 98 |
Kagerplassen | 214 |
Nieuwkoopse plassen | 150 |
Sloene | 264 |
Wijde Aa | 159 |
De samenstelling van de visstand kan je zien door op de aangegeven gebieden van de onsterstaande kaart te klikken.

Wat de biomassa’s betreft variëren de bestandschattingen van de bemonsterde polders tussen 28 en 264 kg/ha. De polders bestaan voor meer dan 50% uit eurytope vissoorten. De totale visbiomassa (met uitzondering van De Wilck) is vergelijkbaar met soortgelijke polders in Nederland. De soorten opbouw is eveneens overeenkomstig met soortgelijke polders. De Wilck is voor aanvang van de visstandbemonstering geschoond. Het is mogelijk dat door deze verstoring de vis het gebied heeft verlaten. Hierdoor is de bestandschatting waarschijnlijk niet betrouwbaar. In de polders worden grote aandelen plantminnende vis gevonden met als uitschieter polder Stein waar 49% van het bestand uit plantminnende soorten bestaat. Het aandeel stroomminnende (rheofiele) soorten is verwaarloosbaar klein en bedraagt maximaal 1%. De gevangen vis in de verschillende (delen van de) polders hebben gemiddeld een normale tot goede conditie.
In de meren/plassen varieert de geschatte biomassa tussen 10 en 264 kg/ha. De visstand in de onderzochte grotere meren wordt sterk gedomineerd door brasem. Vooral plantminnende (limnofiele) vissoorten ontbreken hier in het algemeen als gevolg van de geringe oeverbegroeiing en de geringe bedekking met ondergedoken waterplanten. De gevangen vis in de meren en plassen hebben gemiddeld een normale tot goede conditie. Gedurende de periode van de bemonstering (vanaf enkele maanden voor de bemonstering) was er voldoende voedsel aanwezig.
Om de onderzoeken uit te voeren is toestemming van de visrechthebbenden nodig. Rijnland voert de onderzoeken niet zelf uit maar besteedt de opdracht uit aan gespecialiseerde adviesbureaus waarbij zoveel mogelijk locale partijen erbij betrokken worden.
Meer info over de visstandbemonstering kunt u krijgen bij Bart Schaub, bart.schaub@rijnland.net (071-3063361)
Visstandbemonstering Broekvelden-Vettenbroek, Nieuwkoopse Plassen en Sloene, 2007 (beschikbaar in het voorjaar 2008)
