In 1992 is in Rijnland een project opgestart om geleidelijk de conventionele smeermiddelen en oliën te vervangen door milieuvriendelijkere bioproducten. De voornaamste doelstelling was om het milieu bij verliezen minder te belasten. Maar ook de kosten moesten aanvaardbaar zijn.
In 2000 is de balans opgemaakt. Ten opzichte van de totale productaankoop is het aandeel van milieuvriendelijke smeermiddelen in de praktijk als volgt:
| Smeervetten | 52% |
| Oliën voor tandwielkasten | 47% |
| Hydraulische oliën | 32% |
Rijnland is daarmee nationaal en internationaal koploper. Volgens projectleider Cees Ouwehand zijn de resultaten zeer bemoedigend. De bioproducten zijn van zeer goede kwaliteit en technisch heel goed toepasbaar. Daarnaast zorgen een langere levensduur en energiebesparing voor een gunstig kostenplaatje. Bijkomende voordelen zijn beduidend lagere temperaturen in de machines en minder geluidsoverlast.
Met de in het project opgedane ervaring neemt Cees Ouwehand namens Rijnland actief deel in het Europese kennisoverdrachtproject LLINCWA . Dit project, voluit "Lost Lubricants Inland and Coastal Water Activities" heeft tot doel om diffuse watervervuiling tegen te gaan door het gebruik van goed afbreekbare, niet schadelijke smeermiddelen te stimuleren bij activiteiten in oppervlaktewater.
De conventionele smeermiddelen zijn gebaseerd op minerale oliën. Als deze door verliezen in het milieu terechtkomen worden ze daar slechts langzaam en in geringe mate afgebroken. Dit geldt nog meer voor de toegevoegde stoffen die de smerende kwaliteit moeten bevorderen. Deze stoffen kunnen toxische eigenschappen hebben die zelfs de veiligheid van de mens kunnen bedreigen.
De milievriendelijke smeermiddelen hebben als basis plantaardige oliën of daarvan afgeleide synthetische esters. In het milieu worden deze snel en makkelijk afgebroken. Met de noodzakelijk toevoegingen moeten de bioproducten voldoen aan een aantal voorwaarden:
Zijn de prestaties niet goed? Zijn de bioproducten te duur? Nee! De prestaties zijn zeer goed. Een langere levensduur en lagere onderhouds- en energiekosten compenseren de hogere kostprijs voor een groot gedeelte of zelfs helemaal. Het grootste obstakel lijkt de onbekendheid met de bioproducten te zijn.
In Nederland zijn naast de waterschappen ook in de binnenvaart projecten aan de gang. In het buitenland (Belgie, Duitsland, Frankrijk en Spanje) worden de biosmeermiddelen toegepast op sluiscomplexen, haveninstallaties, waterkrachtcentrales en graafmachines.
