Over de volgende onderdelen over waterstanden is hieronder een nadere toelichting opgenomen:
De waterstand van de boezem van Rijnland is ongeveer 60 centimeter lager dan dit peil. In de zomer is het streefpeil NAP -0,61 m en in de winter NAP - 0,64 m. Dit betekent dat het verschil tussen zomer- en winterpeil in de boezem 3 centimeter bedraagt.
Afhankelijk van de weersomstandigheden is september in de regel de maand waarin de overgang van zomer- naar winterpeil plaatsvindt. In april vindt de overgang van winter- naar zomerpeil weer plaats. Door droogte, neerslag en andere bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Dan is het mogelijk dat de overgang eerder of later plaatsvindt.

Binnen Rijnland geldt een gemiddeld zomerstreefpeil van NAP -0,61 meter en een winterstreefpeil van NAP -0,64 meter. Onder invloed van neerslag, wind en gemaalinzet kan de waterstand lokaal afwijken. In het algemeen zal de gemiddelde waterstand met een marge van enkele centimeters variëren rond het streefpeil. In de omgeving van de gemalen kan, door de inzet hiervan, tijdelijk een grotere afwijking optreden. Door de ligging van de watergangen binnen het gebied van Rijnland en de overheersende windrichting (zuidwest), is het mogelijk dat in Leidschendam de waterstand door afwaaiing bij harde storm ongeveer 20 cm beneden het streefpeil uitkomt. In het noorden van het gebied kan in diezelfde situatie door opwaaiing de waterstand ongeveer 20 centimeter boven streefpeil uitkomen. Opgeteld bedraagt het verschil dan 40 centimeter.
In de zomer vindt bij Gouda aanvoer plaats van water uit de Hollandsche IJssel. Deze aanvoer is nodig om de boezem en de polders, als gevolg van de verdamping, op peil te houden. Door deze aanvoer, zal de waterstand op de Gouwe tijdelijk hoger zijn. Het effect is bij Gouda het grootst, terwijl bij Alphen aan den Rijn deze verhoging bijna niet meer merkbaar is. Tijdens inlaatperiodes kan de waterstand in Gouda tijdelijk ongeveer 25 cm hoger zijn dan het gemiddeld peil van NAP -0,60 m.

Door allerlei effecten, zoals hierboven beschreven kan de waterstand in de boezem variëren. Voor het peilbeheer is het van belang uit te gaan van een gemiddelde waterstand in de boezem. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het RBP, wat een afkorting is voor: Representatief Boezem Peil.
Van alle 20 meetlocaties voor de waterstand is bepaald wat de invloedsfeer is. Zo heeft een punt als Nieuwe Wetering veel water in de directe omgeving, terwijl een punt in Bodegraven slechts weinig water in de directe omgeving heeft. Voor alle meetlocaties voor waterstanden zijn zogenaamde gewichtsfactoren bepaald. In het bijgaande bestand valt de invloedssfeer van de diverse meetpunten (Afbeelding) af te lezen, waarop vervolgens de gewichtsfactoren van de meetlocaties (Excel document) zijn bepaald.
Aan de hand van een voorbeeld met 3 fictieve locaties zal het principe worden uitgelegd:
locatie | gemeten waterstand | gewichtsfactor |
|---|---|---|
| 1 | -0,600 | 50 % |
| 2 | -0,800 | 20 % |
| 3 | -0,400 | 30 % |
| niet gewogen gemiddelde | -0,600 | totaal 100 % |
| gewogen gemiddelde | -0,580 |
De (niet-gewogen) gemiddelde waterstand is NAP -0,60 m. De gewogen waterstand bedraagt na enig rekenwerk: NAP -0,58 m. Deze laatste waarde geeft een veel beter beeld, rekening houdend met locale afwijkingen van de waterstand.
Het is om die reden dat Rijnland bij het peilbeheer in de boezem gebruik maakt van het RBP, de gewogen waterstand in de boezem.
Op 20 locaties binnen Rijnland worden waterstandsmetingen uitgevoerd. De locaties van deze metingen en de laatste meetwaarden kunnen elders op deze site worden bekeken.

De metingen geven een goede indicatie van de waterstand op de boezem. Is de waterstand te hoog, dan worden gemalen ingezet om het overtollige water af te voeren. Is de waterstand in de zomer te laag, dan wordt bij Gouda water ingelaten uit de Hollandsche IJssel.
De metingen vinden plaats met een drukopnemer. Het oppervlaktewater oefent een hydrostatische druk uit op het keramisch meetmembraan. Deze hydrostatische druk brengt een minuscule vervorming (slechts enkele micron) teweeg van het meetmembraan. Deze vervorming wordt omgezet door een condensator naar een meetsignaal. Bij een stijgende waterstand neemt de hoogte van de waterkolom op het membraan toe, en daarmee de druk op het membraan. Dit vertaalt zich in een hogere waterstand.
De drukopnemers zijn gecompenseerd voor de luchtdruk en door de uitvoeringswijze ongevoelig voor uitval tijdens een vorstperiode.

De niveaumetingen vinden, zoals eerder beschreven, plaats op 20 locaties in het gebied. Ten eerste in het midden van het gebied, bij Nieuwe Wetering. Verder zijn er meetpunten aan de randen van het gebied van Rijnland bij de vier boezemgemalen en op de locaties waar Rijnland grenst aan de buren, zoals Delfland, Amstel, Gooi en Vecht en De Stichtse Rijnlanden. Tenslotte zijn op een aantal belangrijke knooppunten van waterwegen binnen Rijnland ook meetpunten ingericht.


Nieuwe Wetering dubbel uitgevoerd
gemaal Spaarndam gemaal Halfweg


Bodegraven - sluis Lijnden - gemaal


Heemstede (Cruquius) Amsterdam - Nieuwe Meer 

Kaag dorp - gemaal Leeghwater Alphen - Gouwe / Oude Rijn 

Zoetermeer - gemaal Palenstein Leiden - Lammebrug


Vijfhuizen - gemaal KW I Heemstede - Asterkade


Sloten Tolhuissluis


Boskoop - Hefbrug Leidschendam - Leidsekade

Lisse - gemaal Zilkerpolder Opstelling niveaumeter en EGVmeter
Meer achtergrondinformatie is te vinden via de volgende links:
