Over de volgende onderdelen over neerslag is hieronder een nadere toelichting opgenomen:
Om in beeld te krijgen hoeveel neerslag er binnen het gebied van Rijnland valt, meet Rijnland op negen locaties automatisch de neerslag in het gebied. Deze locaties zijn verspreid over het gebied en geven zo een goed mogelijk beeld van de spreiding van de neerslag. Op deze locaties staan in een speciale opstelling (verwarmde) meters die de neerslag meten.
De neerslag valt veelal als regen, maar ook als (natte) sneeuw of hagel. Dat is de reden dat de neerslagmeters verwarmd zijn. Bij lagere temperaturen zal een sensor deze verwarming inschakelen, zodat ook de neerslag in vaste vorm gemeten kan worden.
Door de neerslag automatisch te meten kan exact worden bepaald hoeveel neerslag er per tijdseenheid is gevallen. Dit is namelijk van belang om te kunnen bepalen hoeveel neerslag er tot afstroming komt naar het oppervlaktewater.
Op een aantal locaties is naast de neerslagmeter een neerslagdetectie meter geplaatst. Deze detectiemeter bepaalt of er neerslag valt of niet. Op deze wijze kan beter gecontroleerd worden of de neerslag-meetopstelling nog goed werkt.
Iedere nacht om 0:00 uur worden de meters automatisch gereset en teruggezet op nul. De waarde die in de grafieken valt af te lezen, is dan ook de neerslag in millimeters die is afgetapt sinds middernacht.
|
|
Automatische neerslagmeter met verwarmingselement. Opstelhoogte is 0,40 m boven het maaiveld | Neerslagdetectiemeter ter controle van de automatische neerslagmeting. Plaatsing in de nabijheid van de neerslagmeting |
RGN is een afkorting voor Representatief Gebiedsgemiddelde Neerslag. Op basis van de verdeling van invloedsfeer van de diverse neerslagmeters, zijn er gewichtsfactoren toe te kennen aan de diverse neerslagmeters. Deze werkwijze voor RGN is vergelijkbaar met die voor de bepaling van het RBP, Representatief Boezem Peil.
Voor de bepaling van het RGN gebruikt Rijnland alleen de locaties die naast een neerslagmeter ook een neerslagdetectiemeter hebben. De volgende gewichtsfactoren worden gebruikt:
| locatie | gewichtsfactor |
|---|---|
| Nieuwe Wetering | 26 |
| Spaarndam | 8 |
| Katwijk | 9 |
| Lijnden | 19 |
| Zoetermeer | 18 |
| Bodegraven | 20 |
De vier Rijnlandse boezemgemalen zullen de gevallen neerslag in de loop van de tijd moeten afvoeren. Wanneer er 1 millimeter neerslag is gevallen komt dit overeen met 1 liter per vierkante meter, ofwel 1 miljoen kubieke meter voor het gehele gebied van Rijnland. In de wintermaanden zal iedere druppel neerslag als overtollog water afgevoerd moeten worden. In de zomermaanden is er als gevolg van verdamping vaak minder noodzaak tot het direct afvoeren van gevallen neerslag. Alleen bij extreme neerslaghoeveelheden zal bemaling worden ingezet.
Voor een goede meting is het van belang dat er geen obstakels zijn die de meting kunnen verstoren. Hierbij moet gedacht worden aan begroeiing, hoge objecten en gebouwen. Deze kunnen de vrije inval van neerslag belemmeren. Ook kan door het nadruppelen van bomen een onjuiste meting plaatsvinden. De meeste regenmeters zijn zodanig opgesteld dat een verstoring van de meting zo veel mogelijk wordt voorkomen.
In 2005 heeft het KNMI een inspectieronde langs de neerslagmeters uitgevoerd. De door het KNMI gemaakte aanbevelingen hebben een doorslaggevende invloed gehad op de nieuwe plaatsing van de neerslagmeters in 2006.
De metingen voor neerslag vinden op de volgende locaties plaats:
|
|
Nieuwe Wetering
| Spaarndam
|
|
|
Katwijk
| Lijnden
|
|
|
Kaag dorp - Leeghwater
| Zoetermeer - gemaal Palenstein
|
|
|
Bodegraven
| Vijfhuizen - gemaal Kon. Willem I
|
Naast neerslagmetingen zijn voor het peilbeheer ook neerslagradar beelden van groot belang. Deze radarbeelden kunnen voor de korte termijn een indicatie geven van de te verwachten neerslaghoeveelheden. Elders op deze site is een actueel radarbeeld opgenomen.
Voor meer informatie over radarbeelden zie de KNMI site.
Meer achtergrondinformatie is te vinden via de volgende links:
