Piekberging Haarlemmermeer: boren naar prehistorische sporen

Klimaatontwikkeling, zeespiegelstijging, bodemdaling en extreme neerslag; het zijn allemaal factoren die effect hebben op de waterveiligheid. En dus op de missie van Rijnland als het gaat om droge voeten, nu en in de toekomst.

Piekberging

Bij extreme hoeveelheden neerslag is een piekberging een perfecte oplossing. Op het moment dat het Rijnlandse boezemsysteem de waterdruk bij piekbelasting (hevige regenbuien) niet aankan, wordt het water tijdelijk opgevangen in een piekberging. In de Haarlemmermeer realiseert Rijnland een omdijkt stuk polderland waar overtollig water tijdelijk kan worden geparkeerd, waarna het weer teruggebracht wordt in het boezemstelsel.

Archeologisch onderzoek

Na een lange en gedegen voorbereiding is een nieuwe fase aangebroken: de uitvoering. Gestart is met het verwijderen van de bovenste grondlaag langs de A44 en er heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Jeroen Flamman, senior-adviseur bij Vestigia BV (Archeologie & Cultuurhistorie) uit  Amersfoort, vertelt over de bevindingen.

“Rijnland heeft middels een bureaustudie in kaart gebracht welke archeologische waarden mogelijk in het geding zijn. Bij zo’n studie, die gebruik maakt van alle mogelijke bronnen, vindt er geen graafwerk op locatie plaats. De archeologische verwachting werd, op basis van de bureaustudie, als laag ingeschat. Dat betekent geen noodzaak tot vervolgonderzoek. De gemeente Haarlemmermeer zag echter wel reden voor onderzoek op locatie. Dat heeft te maken met sporen van kreekgeulen in de ondergrond. Op basis van luchtfoto’s en hoogtemetingen wilde men laten onderzoeken of er mogelijke bewoning is geweest op eventuele voormalige oeverwallen.” Wanneer zou dat dan zijn geweest? “Denk aan zo’n 3000 à 4000 jaar voor Christus, dus prehistorisch onderzoek.”

Proefboringen

Hoe zijn de archeologen te werk gegaan? “De wens van de gemeente was om proefsleuven te gaan graven. Gezien de samenstelling van de bodem op locatie hebben wij geadviseerd, in overleg met Rijnland, om eerst een flink aantal proefboringen te doen op locaties met de meeste kans op bodemvondsten. Mochten die boringen aanleiding geven tot vervolgonderzoek, dus als we iets zouden vinden, dan konden we altijd nog gaan graven.”

Wat is het voordeel van boringen ten opzichte van graven? “Het werkt sneller en makkelijker – en dus goedkoper – en we komen in diepere grondlagen. Dus eigenlijk krijg je meer beeld, terwijl je minder graaft.”

Half februari, na het winterweekend, hebben drie archeologen op locatie het verkennende booronderzoek uitgevoerd. Op een lijn van noordwest naar zuidoost, over een lengte van zo’n 575 meter, zijn 35 handmatige proefboringen tot op 4 meter diepte uitgevoerd. Daar waar ooit vermoedelijke kreken lagen, en dus mogelijke oeverbewoning, zijn de boringen dichter op elkaar uitgevoerd. De grond die met een gutsboor omhoog werd gebracht, is direct op locatie handmatig onderzocht. Jeroen Flamman: “We kijken naar de samenstelling van de grondlagen en letten natuurlijk op bodemvreemd materiaal. Dan moet je denken aan houtskool, vuursteen, botresten en aardewerkfragmenten als sporen van menselijke bewoning.”

Foto: boorresultaten

Inzicht in samenstelling bodem

Wat heeft het onderzoek opgeleverd? “Er is geen bodemvreemd materiaal gevonden, dus geen sporen van bewoning. We hebben vooral heel veel inzicht gekregen in de samenstelling van de bodem. En dus in de opbouw van het landschap. Het beeld dat ontstaat, ook in de diepere en dus oudere grondlagen, is van een soort waddengebied. Denk aan het Verdronken Land van Saeftinghe; een landschap met brak water en getijdenstroming, dooraderd door geulen en kreken. Een ondergrond, die niet bepaald geschikt was om te bewonen. Moet je je voorstellen; in de diepere bodemlagen was de opgeboorde grond op bepaalde plekken te slap om te onderzoeken. De prut liep gewoon uit de boor. Nou, als dat na 6000 jaar nog steeds zo is, dan zal het in die tijd niet anders zijn geweest.”

Zijn de uitkomsten van het onderzoek teleurstellend? Jeroen: “Nee, zeker niet. Het is inherent aan ons vak en we hadden de kansen op archeologische vondsten hier heel laag ingeschat. En dat blijkt juist. Bovendien hebben de boringen wel meer begrip voor de opbouw van het landschap door de duizenden jaren heen opgeleverd. Ook dat is waardevol.”