De slapende stoker

Paul Schevenhoven

Paul Schevenhoven

In de nacht van zaterdag 30 op zondag 31 juli 1887 werden honderden inwoners van Gouda onaangenaam verrast doordat hun woningen onder water liepen. Volgens de Goudsche Courant gebeurde dat niet alleen op de Markt, de Tiendeweg en de Turfmarkt, maar ook in meer eenvoudige straten als de Vogelenzang en aangrenzende buurten. Al gauw werd duidelijk dat de oorzaak van de wateroverlast bij het boezemgemaal van Rijnland in de Fluwelensingel lag. Wat was er gebeurd?

De zomer van 1887 was droog. Het boezemgemaal in Gouda had in april voor het laatst water uitgemalen. Daarna was er alleen maar water uit de Hollandse IJssel ingelaten om de boezem te verversen; in juni 33 miljoen m³ water, in juli zelfs 49 miljoen! Dat was veel meer dan gebruikelijk. Ook in de nacht van 30 op 31 juli stonden de schuiven bij het gemaal open om water in te laten. Er was één man aanwezig om toezicht te houden, de stoker Ezechiël Jongkoen.

Jongkoen was zaterdagavond om 6 uur met zijn dienst begonnen. Ieder uur moest hij de waterstand noteren. Tot 12 uur heeft hij dat gedaan. Toen viel hij in slaap. In de eerste uren van zondag 31 juli begon het peil van de Hollandse IJssel snel te stijgen. Jongkoen had niets in de gaten en sliep door. De waterstanden van 1 uur en 2 uur werden door hem niet opgemerkt. Enkele inwoners die nog op straat waren, merkten dat het water in de stad steeds hoger kwam te staan. Drie heren die op weg naar huis waren, zoals de Goudsche Courant schreef, gingen naar het huis van Rijnlands opzichter J.D. Rijk aan de Fluwelensingel en belden bij hem aan. Een andere inwoner waarschuwde de politie. Die ging eerst naar de sluiswachter van de Havensluis, G.J. van der Linden, die meteen door had dat het probleem bij het gemaal van Rijnland zat. Hij haastte zich naar het gemaal, waar hij de slapende Jongkoen aantrof. Van der Linden maakte hem wakker en sloot zelf de schuiven in het westelijk schepradgebouw. Intussen was ook de opzichter verschenen, die met hulp van zijn huisknecht de schuiven in het oostelijk schepradgebouw sloot.

 

Stoomgemaal Gouda 

Het oude boezemgemaal in Gouda werd afgebroken in 1937 (FOTO-001619)

 

Het water van de IJssel werd hierdoor gestopt, maar het kwaad was al geschied. Verscheidene woningen waren onder water gelopen. De Goudsche Courant schreef dat op zondagmorgen overdreven verhalen de ronde deden, dat zelfs verteld werd dat half Gouda verdronken was. “Gelukkig heeft zich dit verdrinken bepaald tot eenige huisdieren. In de achterbuurten, waar in groote gezinnen de kinderen veelal op den grond slapen, was natuurlijk de ondervonden last zeer groot, maar overigens was van ongelukken geen sprake,” schreef de krant. Rijnland was voor de schade aansprakelijk en het nam ook zijn verantwoordelijkheid.

In de Verenigde Vergadering van 29 oktober 1887 werd een voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden behandeld om inwoners van Gouda die schade hadden geleden als gevolg van de hoge waterstand hiervoor enige vergoeding te verlenen. Aanvragen tot een bedrag van 10 gulden konden volgens het college zonder nader onderzoek worden toegekend. Daar was duidelijk sprake van een verband tussen de geleden schade en het gevraagde bedrag, ook omdat deze aanvragen door behoeftige mensen waren gedaan. Anders lag het met vijf claims die varieerden van fl. 12,- tot fl. 271,14. Die berustten volgens D&H soms op zeer ruime ramingen en waren daarom nauwkeurig onderzocht. Het college stelde voor om in deze gevallen de gevraagde vergoeding slechts gedeeltelijk te voldoen. Aan de gedupeerden zou Rijnland kunnen schrijven dat de vergoeding door de VV werd toegestaan uit een gevoel van billijkheid en niet omdat het een wettelijke verplichting was. Men kon kiezen: het bedrag aannemen of weigeren. De VV ging met het voorstel van D&H akkoord. Zo wist Rijnland de totaal uit te keren schadevergoeding te beperken tot een bedrag van 620 gulden.

En de in slaap gevallen stoker? Met hem liep het niet goed af. Hij werd door opzichter Rijk onmiddellijk geschorst. In hun vergadering van 13 augustus 1887 besloten D&H hem met ingang van 14 augustus te ontslaan. Zijn weekloon van 9 gulden werd tot die datum uitbetaald. De ingenieur van Rijnland (= hoofd van de Technische Dienst) moest dit aan Jongkoen gaan vertellen en verder de nodige maatregelen nemen om een opvolger te benoemen.