Rijnland en de cholera

Paul Schevenhoven

Paul Schevenhoven

Nederland is in het verleden vaker getroffen door epidemieën. Ook Rijnland kreeg daarmee te maken. Dat het kantoor gesloten werd, is nog nooit voorgekomen. Altijd probeerde Rijnland zo veel mogelijk door te werken. Ook wanneer de ziekte veel gevaarlijker was dan het huidige coronavirus.

In 1866 heerste in Nederland een cholera-epidemie. De ziekte wordt veroorzaakt door een bacil en verspreidt zich vooral doordat mensen besmet water gebruiken. Dat wist men toen nog niet, men ging er vanuit dat de ziekte zich verspreidde door bedorven lucht. Van de mensen die cholera kregen ging de helft dood. Gelukkig werd maar een klein deel van de bevolking ziek, maar dat een paar procent van de bevolking van een dorp of stad overleed was niet ongewoon. De mensen waren terecht doodsbang voor de ziekte. Na 1866 hebben zich in Nederland geen grote cholera-epidemieën meer voorgedaan. Dat kwam door maatregelen op het gebied van hygiëne en vooral door aanleg van drinkwaterleidingen.

Tijdens de cholera-epidemie in de zomer van 1866 werd bij Rijnland gewoon doorgewerkt. Het kantoor was nog klein, de meeste Rijnlanders werkten buiten Leiden. In het jaarverslag staat onder het hoofdstuk ‘Personeel’: Twee dijkwerkers en een stoker te Spaarndam werden door den dood weggenomen. Door opklimming in rang van mindere beambten en door aanstelling van nieuwe personen werden de opengevallen plaatsen op voldoende wijze aangevuld. Een wel heel zakelijke mededeling. Toch deed Rijnland wel iets voor zijn personeel of hun nabestaanden. Zo maakt het jaarverslag ook melding van het feit dat aan de weduwen van drie aan cholera bezweken werklieden enige ondersteuning werd verleend. Om de vatbaarheid voor de epidemie te verminderen was aan de werklieden en hun gezinnen van tijd tot tijd versterkend voedsel uitgedeeld. De uitdeling van voedsel had Rijnland 159 gulden en 84½ cent gekost. Over de kosten van ondersteuning van de drie weduwen wordt niets gezegd, maar het ging het om een bedrag van in totaal 50 gulden. De mannen hadden een loon van 7 of 8 gulden in de week gehad. Dat was ook voor die tijd erg weinig. Met 50 gulden, te verdelen over drie weduwen, konden de vrouwen hoogstens een paar weken vooruit.

In de VV van 24 juli 1866 werd over de cholera gesproken. Toen de ziekte in Spaarndam uitgebroken was, hadden de geneeskundigen ter plaatse verklaard dat verspreiding onder de werklieden het best kon worden tegengegaan door hen in staat te stellen krachtig voedsel voor zichzelf en hun gezinnen aan te schaffen. De verspreiding van de ziekte was volgens de dokters te wijten aan onvoldoende voeding. Zij vonden daarom dat de lonen van de werklieden verhoogd moesten worden.

Dat zagen D&H anders. Van loonsverhoging, zelfs tijdelijk, kon geen sprake zijn. Wel wilde het college iets doen om betere voeding voor de werklieden en hun gezinnen mogelijk te maken tijdens het heersen van de epidemie. Daarom had de opzichter te Spaarndam opdracht gekregen om van tijd tot tijd aan de Rijnlandse werklieden die dat nodig hadden vlees of ander versterkend eten uit te delen. Dat gebeurde nu al drie weken en had inmiddels 75 gulden gekost. Om op die ingeslagen weg voort te gaan verzochten zij machtiging om daarvoor een bedrag van 200 gulden beschikbaar te stellen. Dit omdat de epidemie inmiddels ook in Halfweg, Gouda en Katwijk uitgebroken was. VV-lid Jonker was blij met de handelwijze van D&H en stelde voor het beschikbare bedrag tot 400 gulden te verhogen. Er was tenslotte al 75 gulden uitgegeven en vooral in het zeer arme Spaarndam woedde de ziekte nog steeds voort. De vergadering ging met dit voorstel akkoord. Een royaal gebaar van de VV. Omdat de voedselverstrekking volgens het jaarverslag over 1866 uiteindelijk 159 gulden en 84½ cent kostte, is dus maar een beperkt deel van het beschikbaar gestelde bedrag aangesproken.

Dat het bestuur, de secretaris of de hoofdopzichter (een directie bestond nog niet) het personeel in die angstige tijd troostend of bemoedigend hebben toegesproken, blijkt nergens. Misschien hebben zij dat mondeling gedaan, dat weten we niet. Een circulaire of bekendmaking met een dergelijke boodschap aan het personeel is er in ieder geval niet geweest. Op papier hield Rijnland het zakelijk.

Geraadpleegde bronnen

Oud Archief Rijnland 1858 – 1958
Notulen van vergaderingen 1866 pagina 90 en 91
Jaarverslagen 1864 – 1877 pagina 64 en 65