Rijnland en zijn lozing op het Noordzeekanaal

Tekst: Paul Schevenhoven

Tekst: Paul Schevenhoven

In het midden van de 19de eeuw werden twee waterstaatswerken van nationaal belang uitgevoerd met grote gevolgen voor Rijnland: droogmaking van het Haarlemmermeer (1840-1852) en aanleg van het Noordzeekanaal (1865-1876). Door de droogmaking van het Haarlemmermeer werd Rijnlands boezem veel kleiner en moest voor het eerst in de geschiedenis bemaling worden ingezet om die boezem van overtollig water te ontlasten. Ook de aanleg van het Noordzeekanaal had grote consequenties voor de afwatering van Rijnland.

Sinds de 13de eeuw had Rijnland zijn boezemwater geloosd op het IJ, een zeearm van de Zuiderzee, met wisselende eb- en vloedstanden. Eerst gebeurde dit alleen in Spaarndam, later ook in Halfweg. Bij laagwater op het IJ konden uitwateringssluizen geopend worden. Deze ‘natuurlijke lozing’ vond plaats zonder hulp van bemaling. Als de lozing bemoeilijkt werd door hoge waterstanden in het IJ, was Rijnlands boezem groot genoeg om lange tijd het overtollige water te bergen. Door de droogmaking van het Haarlemmermeer werd dit anders. Om Rijnland te compenseren voor de gevolgen van de verkleining van zijn boezem bouwde het Rijk stoomgemalen in Spaarndam, Halfweg en Gouda en droeg deze na de droogmaking van het meer aan Rijnland over. De inzet van gemalen in Spaarndam en Halfweg betekende niet dat aan de natuurlijke lozing op het IJ een einde kwam. Steenkool was duur en de gemalen werden pas in werking gezet als het boezempeil door natuurlijke lozing onvoldoende daalde.

De plannen voor aanleg van het Noordzeekanaal verontrustten Rijnland. Een onderdeel van deze plannen was afsluiting en gedeeltelijke inpoldering van het IJ. Rijnland zou niet langer uitwateren op een zeearm met eb en vloed, maar op een binnenwater met een vast peil. Rijnland was niet tegen aanleg van het kanaal, maar had geen vertrouwen in handhaving van het beoogde kanaalpeil van 0,50 m –AP (Amsterdams Peil). De vrees bestond dat natuurlijke lozing bij Spaarndam en Halfweg niet langer mogelijk zou zijn.

De droogmaking van het Haarlemmermeer was een zaak van het Rijk geweest. Dat had ondanks de nodige wrijvingen met Rijnland meestal rekening gehouden met de belangen van het hoogheemraadschap. Voor de aanleg en exploitatie van het Noordzeekanaal verleende het Rijk concessie aan een particuliere onderneming, de Amsterdamse Kanaal Maatschappij (AKM). In de concessievoorwaarden stond dat het kanaal altijd op het peil van 0,50 m –AP gehouden moest worden. Hieraan werd niet voldaan. Dat bleek na de afsluiting van het IJ in 1872. Rijnland zag zijn gelijk bevestigd dat het beoogde peil niet te handhaven was. De AKM was ook niet bereid om dit te doen. Zij vond dat het peil in het belang van de scheepvaart omhoog moest, want zeeschepen werden steeds groter en dieper. De regering nam in deze discussie een ambivalente houding aan. Enerzijds wees zij de AKM op de aangegane verplichtingen, anderzijds stelde zij dat peilverhoging met het oog op scheepvaartbelangen een goed recht van de AKM was. Het werd Rijnland duidelijk dat alleen verbetering van zijn bemaling kon helpen om het boezempeil beter te beheersen. Het Rijk was niet bereid hierin financieel bij te dragen. Op eigen kosten bouwde Rijnland daarom bij Katwijk een vierde boezemgemaal en verbeterde de bestaande stoomgemalen in Spaarndam en Halfweg.

 

Noordzeekanaal in vogelvluchtperspectief

 Lithografie 'Het Noordzeekanaal' gezien vanuit het westen in 
vogelvluchtperspectief, na 1872

 

Rijnland maakte zich verder niet druk over het peil in het Noordzeekanaal. Het recht van vrije uitmaling op het kanaal was voor Rijnland belangrijker. Dat bleek toen het bestuur van de Houtrakpolder klaagde over het hoge kanaalpeil. In december 1895 was dit zelfs gestegen tot 0,26 m +AP. De klacht werd in de Tweede Kamer besproken. Het Rijk had het kanaal in 1881 van de AKM overgenomen en was nu verantwoordelijk voor het peil. De minister zei dat het peil in gewone omstandigheden tussen 0,50 en 0,30 m –NAP lag. Door het ongestoord malen van de gemalen van Rijnland in Spaarndam en Halfweg op een moment dat natuurlijke lozing op de Noordzee en bemaling op de Zuiderzee niet mogelijk was, was de waterstand zeer hoog opgelopen, maar meestal was de toestand bevredigend. Op een vraag van een Kamerlid wat Rijnland hiervan vond, antwoordde de dijkgraaf dat Rijnland er al 20 jaar rekening mee hield dat het afgesproken peil niet werd gehandhaafd. Er was geen aanleiding om hier weer op terug te komen en alle vroegere wensen en klachten aan de regering kenbaar te maken. Pas als het sinds eeuwen bestaande recht van Rijnland van uitwatering op het IJ bedreigd zou worden, zou die aanleiding er wel zijn.

Melding maken van uitmaling op het Noordzeekanaal vond Rijnland geen probleem. In 1887 had de ingenieur van de Waterstaat die belast was met het beheer van het kanaal aan Rijnland verzocht hem te melden wanneer de gemalen in Spaarndam en Halfweg begonnen te malen of de bemaling stopten. Dit om overschrijding van het peil op het kanaal te voorkomen. Rijnland zag in dat het ook in zijn belang was om aan dit verzoek te voldoen. Belemmering van de uitmaling werd niet geaccepteerd. In december 1965, toen het kanaalpeil weer boven NAP gestegen was, kreeg Rijnland van de adjunct-havenmeester van IJmuiden opdracht de bemaling in Spaarndam en Halfweg te staken. Rijnland aanvaardde die opdracht niet, maar wilde wel met Rijkswaterstaat overleggen om de verschillende belangen tegen elkaar af te wegen. In januari 1966 verzocht Rijkswaterstaat de bemaling te staken. In een brief aan de minister spraken dijkgraaf en hoogheemraden hierover hun verontrusting uit en stelden dat onbeperkte lozing op het Noordzeekanaal verzekerd moest zijn. Zij ondersteunden de wens van de gemeente Amsterdam dat het Rijk zo spoedig mogelijk een gemaal bij IJmuiden zou bouwen. Dat was ook de oplossing van het probleem. Na de totstandkoming van dit gemaal (1975) kwamen kanaalstanden boven NAP niet meer voor.

 

Spaarndam en het Noordzeekanaal

Spaarndam en het Noordzeekanaal, 1908

 

Op 17 december 1992 ondertekenden Rijkswaterstaat, de provincies Noord-Holland en Utrecht, drie gemeenten en tien waterschappen, waaronder Rijnland, een Waterakkoord voor het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal. Doel van dit akkoord was een doelmatig beheer en een doelmatige verdeling van het beschikbare water in perioden van watertekort en efficiënte afvoer van water bij wateroverlast. In geval van wateroverlast had het Rijk een inspanningsverplichting het op de kanalen geloosde water af te voeren naar zee of naar het Markermeer. Als de gemiddelde waterstand op het Noordzeekanaal zou stijgen tot boven NAP -0,30 m, hadden de waterbeheerders een inspanningsverplichting de afvoer naar het kanaal zoveel mogelijk te beperken wanneer het Rijk een verzoek daartoe deed. Als de gemiddelde waterstand op het kanaal de hoogte van NAP bereikte, kon het Rijk een afvoerstop vanuit de omliggende beheersgebieden afkondigen.

Formeel betekende dit een beperking van de vrije lozingsrechten van Rijnland. De praktijk viel mee. Bij een evaluatie in 1996 bleek dat zich in de jaren 1993 en 1994 vier keer een periode van wateroverlast had voorgedaan. Tijdens een van die periodes, bij een waterstand van NAP -0,18 m op het Noordzeekanaal, werd een verzoek gedaan tot afvoerbeperking. Rijnland kon hieraan gedeeltelijk voldoen.

In 2007 werd het Waterakkoord uit 1992 vervangen door een nieuw akkoord tussen Rijkswaterstaat en de betrokken waterschappen. Door fusies was hun aantal inmiddels teruggebracht tot vier. In 2013 werd het Waterakkoord uit 2007 door een nieuw akkoord tussen deze partijen vervangen. De bepalingen inzake beperking of stopzetting van lozing op het Noordzeekanaal bleven bestaan.

 

 

Noordzeekanaal, 2015 

Noordzeekanaal, 2015 

 

Geraadpleegde bronnen

Arends, G.J. (2001). Sluizen en gemalen in het Noordzeekanaal : anderhalve eeuw ontwerpen, bouwen en vernieuwen. Utrecht: Matrijs.

Berkhof, Roel (1979). De besluitvorming rond de totstandkoming van het Noordzeekanaal : scriptie. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, instituut voor Bestuurskunde.

Conrad, J.F.W.(1877). Extract uit het rapport van den hoofd-ingenieur van den Waterstaat in Noord-Holland, J.F.W. Conrad aan Zijne Exellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken, d.d. 12 october 1877, no. 1324 betreffende het Noordzeekanaal en de uitwatering van Rijnland, Schermerboezem en Amstelland. Leiden: Hooiberg.

Giebels, Ludy. (2002). Hollands water : het hoogheemraadschap van Rijnland na 1857 . Utrecht : Matrijs, pp. 114-126.

Giebels, Ludy. (1994). Rijnland en de aanleg van het Noordzeekanaal: afscheid van de natuurlijke lozing. In L. Giebels e.a., Zeven eeuwen Rijnlandse uitwatering in Spaarndam en Halfweg (pp. 119 – 144).  Leiden: Hoogheemraadschap van Rijnland.

Kingma, Jur. (2003). Het Noordzeekanaal 1863 – 1883. Holland historisch tijdschrift, 1, (35) pp. 45 – 50  link naar website Holland Historisch tijdschrift.

Oud Archief Rijnland via www.rijnland.net/archieven

Sinnighe Damsté, W.A.(2001). Het Noordzeekanaal 1863 – 1883: de geschiedenis van een concessie : proefschrift. Nijmegen: Ars Aequi Libri.

Velde, J.J. van der (1926). Het vijftigjarig bestaan van het Noordzeekanaal. Amsterdam: Ontwikkeling.