Klimaatregels
Rijnland zet een belangrijke stap naar klimaatbestendigheid door als een van de eerste waterschappen klimaatregels verplicht te gaan stellen voor nieuwe grote gebiedsontwikkelingen.
Slimme inrichting
De komende jaren worden naar verwachting 100.000 woningen in ons gebied gebouwd. Ondertussen verandert het klimaat. De zeespiegel stijgt, het wordt warmer en we krijgen meer droge maar ook meer natte perioden. Om nu en in de toekomst nog goed en veilig te kunnen wonen, werken en genieten moeten we ons goed voorbereiden. Daarvoor moeten we ons gebied slim inrichten.
Het Rijnlands gebied moet dus grote hoeveelheden water beter aankunnen, maar ook bestand zijn tegen periodes van droogte. Aan de hand van regionale klimaatvisies werkt Rijnland daar al hard aan samen met provincies en gemeenten. Het aanpassen van de manier waarop gebouwd wordt, is daarbij van groot belang. Daarom voert Rijnland verplichte klimaatregels in voor nieuwe grote gebiedsontwikkelingen.
Door de regels verplicht te maken, zorgen we ervoor dat voldoende en schoon water en een gezonde bodem sturend worden in de ontwikkeling van grote gebiedsplannen. We lopen hiermee vooruit op landelijke regels waar aan gewerkt wordt.
Voor grootschalige gebiedsontwikkeling en gericht op specifieke doelen
De verplichte regels zijn van toepassing op nieuwe, grote gebiedsontwikkelingen (>5.000 m2) en zijn gericht op specifieke doelen. Zoals het voorkomen van overlast door extreme neerslag en langdurige droogte, het zoveel mogelijk vasthouden van neerslag voor nuttig gebruik en het scheppen van een gezonde leefomgeving. Daar zijn voor onze regio wel al richtlijnen voor gemaakt, maar die zijn (nu nog) niet verplicht. Landelijk wordt er ook aan regels en richtlijnen gewerkt. Rijnland loopt daar dus op vooruit, om nu al stappen te kunnen maken binnen ons gebied. Het zijn vooral provincies, gemeenten en projectontwikkelaars die met de regels te maken krijgen.
De nieuwe regels:
- de infiltratie-regel: om ervoor te zorgen dat een gebied droogte aankan, moet de bodem in een gebied een normale bui van 20 mm in 24 uur op kunnen nemen en kunnen vasthouden voor droge periodes.
- de bergingsregel: om ervoor te zorgen dat een gebied extreme neerslag aankan, moet een gebied een regenbui van 90 millimeter in 24 uur op kunnen vangen. Dat opvangen kan in de bodem, sloten, open water of andere vormen van wateropslag.
- natuurinclusieve regels: om de waterkwaliteit en de biodiversiteit te versterken en te ondersteunen, moeten brede sloten en ander water van voldoende en afwisselende diepte en een schuine kant worden aangelegd in plaats van ondiepe, smalle slootjes. De oevers moeten natuurvriendelijk zijn (schuine kant, beplanting).
Waterschapsverordening
De klimaatregels staan in de nieuwe waterschapsverordening.
Veelgestelde vragen
Disclaimer: deze vraag-antwoorden zijn met zorg samengesteld op basis van de beschikbare (hydrologische) kennis. Maar ze zijn niet uitputtend. De vraag-antwoorden ondersteunen zowel Rijnland als de initiatiefnemers bij het toepassen van de eisen uit de waterschapsverordening. Wij denken hiermee 90 tot 95% van de vraagstukken en uitdagingen rondom de nieuwe klimaatregels te hebben beantwoord. Mocht u toch andere vragen hebben, stel ze gerust via klantcontactteam@rijnland.net of vergunningen@rijnland.net.
Rijnland stelt ook een rekentool beschikbaar om te bepalen of een ontwikkeling aan de waterbergingseisen van Rijnland voldoet (recente versie 1.6). Deze kan opgevraagd worden via klimaatregels@rijnland.net.
Algemeen
Vanaf 1 januari 2024 zijn de regels van kracht. Op woensdag 27 september heeft de Verenigde Vergadering van Rijnland de Waterschapsverordening definitief vastgesteld en wordt op 1 januari 2024 in gebruik genomen.
De klimaatregels staan, samen met de andere voorwaarden die we stellen aan de inrichting van een gebied en waterbergingen, in de waterschapsverordening. Om precies te zijn staan op pagina 95-98 de voorwaarden met betrekking tot de nieuwe 20 millimeter regel en de 90 millimeter regel. Op pagina 73 zijn de voorwaarden met betrekking tot de natuurinclusieve regels opgenomen, concreet de minimale diepte-eisen en de eisen ten aanzien van het talud.
Ja, juridisch gezien kan Rijnland deze voorwaarden stellen doordat ze directe invloed hebben op de werking van het watersysteem en daardoor de taak van het waterschap. Een extreme bui komt op een gegeven moment ook in het watersysteem terecht en om dat op te kunnen vangen zijn voorzieningen nodig (gericht op bijvoorbeeld het vertraagd afvoeren).
De kaders voor klimaatadaptie zijn nu nog beperkt. Met de nieuwe, verplichte regels stimuleren en ondersteunen we een klimaatbestendige inrichting. De focus ligt daarbij niet op maatregelen, maar op het bereiken van doelen in een heel gebied. Bovendien zijn de nieuwe regels niet alleen gericht op het afvoeren van water maar vooral op het vasthouden en nuttig gebruik van water.
Ook de bestaande bouw moet klimaatbestendig worden. Die opgave is misschien nog wel groter dan voor de nieuw te ontwikkelen gebieden. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om hier voor te zorgen (voor 2050).
Als inwoner kun je op verschillende manieren een steentje bijdragen aan schoon en voldoende water. Bijvoorbeeld meer groen in de tuin, groene dagen of het plaatsen van een regenton. Check voor meer tips Waterbazen van West-Nederland.
Regionale Klimaatvisies
Algemene vragen 90 mm-regel
Ja, de nieuwe regels treden op 1 januari 2024 in werking. Iedere vergunning die vanaf dat moment wordt verleend, toetsen wij aan de nieuwe regels. Vergunningen die voor 1 januari 2024 worden aangevraagd en na 1 januari worden verleend, worden getoetst aan de nieuwe regels.
In februari 2023 hebben wij deze regels in ontwerp gepubliceerd. Sindsdien kan iedereen al rekening houden met deze nieuwe regels. Natuurlijk beseffen wij dat sommige projecten al ruim voor februari 2023 zijn uitgewerkt. In uitzonderlijke gevallen, kunnen wij op grond van artikel 3.5 Waterschapsverordening afwijken van de nieuwe regels.
De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen. En dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.
Voorheen gold de zogenaamde ‘15%-regel’. Hierbij diende er altijd 15% van de verhardingstoename te worden gecompenseerd, onafhankelijk van de gebiedskenmerken. De nieuwe 90 mm-regel is een verbeterde regel om een klimaatrobuuste inrichting te garanderen en geen klimaatopgaven af te wentelen, omdat het meer gebiedskenmerken meeweegt, multifunctioneel ruimtegebruik beter mogelijk maakt én hergebruik van water stimuleert, bijvoorbeeld voor droge periodes. Op deze manier zorgen we voor een klimaatbestendige doorontwikkeling van Rijnlands beheergebied.
Het uitgangspunt voor de Rijnlandse 90 mm-regel is de Landelijke maatlat voor een groene en klimaatadapatieve omgeving. In de Landelijke maatlat staat dat er geen waterschade mag optreden bij een bui die 1 x per 100 jaar voorkomt. In deze maatlat wordt vooral gekeken naar het effect van kortdurende buien met een hoge intensiteit.
Voor het Rijnlandse watersysteem zijn echter ook langdurende neerslagsituaties van belang en daarom is er ook gekeken naar de hoeveelheid neerslag die ongeveer 1 x per 100 jaar in 24 uur valt. Dit is ongeveer 110 millimeter (Neerslagstatistieken 2019, KNMI). Rekening houdend met een afvoercapaciteit van de poldergemalen van gemiddeld 20 millimeter per dag, moet dan nog ca. 90 millimeter in het gebied zelf worden verwerkt.
De 90 mm-regel geldt binnen ons beheergebied voor ruimtelijke plannen die vergunningplichtig zijn. We kijken hierbij naar de toename van hard oppervlak. Als die groter is dan 5000 m2, geldt de 90 mm-regel.
Het plangebied is het totale gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt. Als er verschil in inzicht is tussen de ontwikkelaar en Rijnland over de begrenzing van het plangebied, dan bepaalt Rijnland in principe welk begrenzing gehanteerd wordt. Wanneer een gebied gefaseerd ontwikkeld wordt en het samengestelde plan een verhardingstoename bevat groter dan 5000 m2, dan geldt de 90 mm-regel ook voor de losse fases van het plan. Dit is naar verhouding.
De 90 mm-regel geldt vooralsnog alleen als de verharding bij een (her)ontwikkeling toeneemt met meer dan 5000 m2.
Rijnland wil graag dat de 90 mm-regel ook bij de herontwikkeling van bestaande gebieden wordt toegepast, maar kan dat vooralsnog niet afdwingen.
Nee, het blijft mogelijk dat er meer regen valt dan er geborgen kan worden in het gebied. Of dat er onverhoopt verstoppingen van afvoeren zijn. En het is ook mogelijk dat het onbebouwde gebied in de omgeving van het plangebied nog niet is uitgerust op 90 mm neerslag binnen 24 uur.
In sommige gevallen kan in de huidige situatie geen 90 mm neerslag geborgen worden zonder dat er sloten overlopen en er land onder water komt te staan. Dit levert waarschijnlijk geen knelpunt of gebiedsopgave op, doordat er andere eisen voor het aanwezige landgebruik gelden, zoals voor grasland.
Als er in een dergelijk gebied toch ontwikkeld gaat worden, moet er (voor het plangebied) worden voldaan aan de 90 mm-regel als dat vanwege de grote van de verhardingstoename geëist wordt. Op die manier zorgen we voor een verbetering van de algehele waterhuishouding en wordt de resterende opgave kleiner. Ook pakken we zo natuurlijke kansen die ontwikkelingen bieden om een gebied robuuster te maken voor klimaatverandering.
Het doel van het bouwconvenant waar de provincie Zuid-Holland, gemeenten en andere partijen zich aan hebben geconformeerd is gelijk aan de klimaatregels van Rijnland. Dat
geldt ook voor de afspraken die zijn gemaakt over klimaatbestendig bouwen in de Metropoolregio Amsterdam. Het gaat daarbij ook over het voorkomen van wateroverlast
en het zoveel mogelijk vasthouden van water voor droge periodes. Met de nieuwe regels zijn de doelen rondom afwentelen én lokaal bergen van water uit het bouwconvenant en de intentieovereenkomst ook juridisch afdwingbaar.
We hanteren een stapeling in de bergingseisen, afhankelijk van de grootte van de toename aan hard oppervlak:
- Bij meer dan 500 m2 toename hard oppervlak moet er waterberging worden aangelegd, ter grootte van 15% van de toename verhard oppervlak.
- Bij meer dan 5.000 m2 toename hard oppervlak moet de 90 mm neerslag in 24 uur geborgen kunnen worden, waarvan 20 mm in de bodem als dat kan. Berging mag op alle manieren worden gerealiseerd, zowel boven als ondergronds.
- Bij meer dan 50.000 m2 toename hard oppervlak moet de 90 mm in 24 uur geborgen kunnen worden, waarvan 20 mm in de bodem als dat kan. Bij zo’n grote ontwikkeling moet 80% van de resterende opgave in oppervlaktewater worden gerealiseerd en tot 20% in andere vormen van berging.
De nieuwe Rijnlandse klimaatregels zijn niet per definitie strenger of minder streng dan de voorgaande beleidsregels. We hebben wel de vrijblijvendheid van een aantal richtlijnen en convenanten, die betrekking hebben op de thema's wateroverlast en droogte, vastgelegd als regels.
Ook houden de regels nu meer rekening met de lokale gebiedseigenschappen. Hierdoor vallen de regels ‘strenger’ uit in bijvoorbeeld gebieden met een geringe drooglegging. Daar zullen meestal extra maatregelen nodig zijn om klimaatbestendig te bouwen.
Rijnland stelt diverse gegevens ter beschikking om de (nieuwe) rekenregels mee te kunnen toepassen. De basisgegevens én methoden zijn Rijnlandbreed toegepast op het detailniveau van peilvakken. Deze informatie houden we actueel.
Een initiatiefnemer kan met eigen, aanvullende gegevens aantonen dat de praktijk buiten anders functioneert en hierdoor bijvoorbeeld meer bodemberging beschikbaar is of er geen water in de bodem wegzakt. Dit kan op basis van lokale, extra boringen of grondwaterstandsmetingen. Rijnland betrekt deze nieuwe data bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag.
Invulling 90 mm-regel
De berging van hemelwater kan op verschillende ‘plekken’ plaatsvinden:
- In het oppervlaktewater, tot het acceptabele waterpeil;
- Op het maaiveld, dus als droge berging;
- In de bodem;
- Op een andere wijze; andere waterberging, voorheen vaak aangeduid als alternatieve waterberging.
Deze verschillende vormen van berging mogen bij elkaar worden opgeteld om tot 90 mm te komen.
Het liefst willen we dat de neerslag nuttig wordt gebruikt, dus door plant, mens of dier. Wanneer regen de kans krijgt om in de bodem te infiltreren kan het later benut worden door planten en bomen tijdens droge perioden, of vult het grondwater aan. Regenwater dat in de sloot terecht komt, wordt doorgaans snel afgevoerd door de beperkte mogelijkheden van peilfluctuatie. Het kan dan niet meer nuttig worden gebruikt in het gebied. Daarom stimuleren we berging in de bodem en tellen andere vormen van waterberging ook mee.
Bij het bepalen van de beschikbare berging in het oppervlaktewater, wordt rekening gehouden met het totale peilgebied waarbinnen het plangebied ligt. Als in het peilvak bijvoorbeeld een aantal huizen laag liggen, dan beperkt dit de acceptabele peilstijging in het oppervlaktewater. Het gevolg is dat er meer water gegraven moet worden of de berging op een andere manier gerealiseerd moet worden om te komen tot 90 mm berging in het plangebied. Daarnaast is er een regel vastgesteld die voorschrijft dat de wateropgave niet afgeschoven mag worden op de omgeving (zie artikel 6.8 van de waterschapsverordening).
In principe wel, als de afvoercapaciteit niet te hoog is. Om mee te tellen voor de 90 mm regel, moet de leegloopsnelheid niet hoger zijn dan 0,6 liter per uur per m2 (0,6/l/u/m2). Dit is te vergelijken met de afvoercapaciteit van onze gemalen. Deze afvoercapaciteit geldt ook voor andere (alternatieve) waterberging.
In een update van de Waterschapsverordening rekken we de begrenzing op tot 0,9 l/u/m2, om beter aan te sluiten bij ander gemeentelijk beleid.
Een alternatieve waterberging moet volgens Rijnland een berging hebben van minimaal 55 mm per m2 toename verhard oppervlak en een afvoer tot 0,6 l/u/m2. Wanneer een berging hiervan afwijkt, mag deze slechts in verhouding meetellen. Bij een afvoersnelheid die twee keer zo hoog is als onze norm, telt de voorziening slechts voor de helft mee.
Tip voor de ontwikkelaar: zorg ervoor dat de bergingsvoorzieningen maximaal gunstig aansluit op afvoerend verhard oppervlak. Hiermee zorg je ervoor dat de alternatieve waterberging meer dan 55 mm kan bergen en zo volledig meetelt als ‘alternatieve waterberging’.
Tip voor de gemeente: bij een herijking of evaluatie van de hemelwaterverordening adviseren we om lange leeglooptijden van 5 dagen aan te houden. Hierdoor wordt het watersysteem minder snel belast en kan water beter hergebruikt of geïnfiltreerd worden.
Berging in het water
Ja, het bestaande oppervlaktewater telt mee als bergingscapaciteit, dus ook naar rato voor een plangebied. Regen voert af naar de sloten en wordt daarin tijdelijk vastgehouden (het waterpeil stijgt). Je kunt dus zeggen dat een deel van het bestaande watersysteem al ‘gereserveerd’ is voor het plangebied. Het percentage bestaand water dat aan het plangebied toegekend mag worden is het percentage oppervlaktewater in het totale peilvak. De huidige peilstijging bij 90 mm neerslag binnen 24 uur bepaalt hoeveel mm water geborgen kan worden in bestaand water.
Door het graven van nieuw oppervlaktewater wordt er berging in het open water toegevoegd aan een peilvak. Het verlies van bodemberging verwaarlozen we in de berekening. Met het oppervlak nieuw gegraven water rekenen we de extra bergingscapaciteit uit, op basis van de acceptabele peilstijging. Hiervoor nemen we het midden aan tussen de huidige peilstijging en de toetshoogte. Dat de acceptabele peilstijging niet gelijk is aan de toetshoogte doen we om te voorkomen dat een ontwikkeling te veel afwentelt op het naburige gebied. Als men binnen de ontwikkeling meer bergingscapaciteit wil realiseren voor dit nieuw te graven water, zal het gebied een eigen peil (en stuw) moeten krijgen.
N.B.: nieuw gegraven water zal voornamelijk een bergende functie hebben en zien we dan ook in principe als overig, minder belangrijk water waarvan het onderhoud bij de aangeland danwel gemeente komt te liggen.
Rijnland kent qua watersysteem een verschil tussen polders (met dijken er omheen) en boezemland dat hoger ligt met zeedijken en duinen er omheen. Polders lozen doorgaans direct op de boezem, waardoor het watersysteem in beide gebieden anders reageert. Voor ontwikkelingen in boezemland danwel op boezemniveau, mag voor het bestaande boezemwater 30 mm worden toegekend aan een bouwplan. Dit is onafhankelijk van waar het plangebied in het boezemgebied ligt. Voor nieuw te graven boezemwater mag 190 mm bergende schijf worden meegerekend.
Ja, meestal wel. Als in het recente verleden al elders in hetzelfde peilvak open water is gegraven of een andere berging is gerealiseerd, dan kan dit onder voorwaarden meetellen voor de wateropgave. Voor sommige gemeenten is er bijvoorbeeld een BergingsRekening Courant opgericht (BRC). Zo kunnen gemeenten flexibeler zijn met het realiseren van de benodigde berging, waarbij bijvoorbeeld één grote nieuwe waterplas ingezet wordt voor meerdere kleine ruimtelijke ontwikkelingen. Dit kan nog steeds, onder voorwaarde dat de bergingslocatie zonder belemmeringen bereikt kan worden door het afstromende water.
Een nieuw peilvak is alleen mogelijk, wanneer dit ook de belangen van Rijnland dient. Denk aan de waterkwaliteit (doorgaans gebaat bij grote peilvakken), een doelmatig watersysteem (weinig kunstwerken) en geen negatieve (uitstralings)effecten naar de omgeving. De initiatiefnemer moet aantonen dat aan deze eisen wordt voldaan. Ook betaalt de initiatiefnemer de kosten voor aanleg van kunstwerken. In overleg met Rijnland wordt de afweging gemaakt of een nieuw peilvak gewenst is en hier moeten afspraken over gemaakt worden. Hierna kan Rijnland eventueel een nieuw peilbesluit of een gedeeltelijke herziening van een peilbesluit vaststellen. Dit valt buiten de (nieuwe) regels en kon voorheen ook al.
Berging op het maaiveld
Er zijn een aantal manieren waarop water op het maaiveld geborgen kan worden. Dit kan door bijvoorbeeld kleine verdiepingen aan te leggen, zoals greppels (wadi’s), kuilen of lagergelegen percelen die mogen overstromen bij een bepaalde peilstijging. Als het geborgen water niet rechtstreeks naar een watergang toestroomt, dan spreken we over een ‘droge berging’. Vertraagde afvoer of via infiltratie naar het grondwater mag ook. Deze voorzieningen worden gevuld door stroming over het maaiveld of doordat verhard oppervlak erop is aangesloten.
Tip ontwikkelaar: Om gelijk ook aan de infiltratie-eis te voldoen, is het handig om berging op het maaiveld in losstaande wadi’s en greppels te realiseren.
Een droge berging kan worden meegeteld voor de 90 mm-regel als het gebied daarvoor geschikt is. De berging dient wel te worden vastgelegd in de Rijnlandse Legger en als voorziening te worden bestemd en onderhouden.
Bij watergangen langs (de achtertuinen van) huizen telt het talud niet mee als berging, aangezien de kans groot is dat deze oever steiler wordt opgetrokken. Alleen bij publiek toegankelijke oevers kan de bergende capaciteit worden meegeteld en gegarandeerd.
De afvoercapaciteit van berging op het maaiveld dient evenals bij andere bergingsopties te worden begrensd op 0,6 l/u/m2.
Berging in de bodem
Het doel is om ervoor te zorgen dat het grootste deel van de jaarlijkse neerslag in de bodem terechtkomt en langzaam wegstroomt of gebruikt wordt door de vegetatie in droge perioden. Hierdoor zetten we in op het vasthouden van neerslag om droogte tegen te gaan en regenwater te hergebruiken.
Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet minimaal 20 mm van elke grote bui in 24 uur in de bodem opgevangen worden. De eis geldt voor al het nieuwe verharde oppervlak. De neerslag moet opgevangen worden in het naastgelegen onverharde oppervlak, of onder het eigen verharde oppervlak. De 20 mm telt mee voor de 90 mm-bergingsregel, waarvan bij een positieve invulling dan dus 70 mm overblijft. De 20 mm-regel geldt alleen als dat redelijkerwijs mogelijk is.
De opvang van 20 mm neerslag moet ‘redelijkerwijs’ mogelijk zijn. In gebieden met een hoge grondwaterstand of waar water moeilijk in de bodem opgenomen wordt (kleigronden), is de 20 mm opvang lastig te realiseren zonder aanvullende maatregelen (bijv. ophoging of bodemverbetering).
Ophogen van lage gronden met minimaal 10 cm grond zien we als een haalbare en redelijke maatregel om te komen tot 20 mm berging en infiltratie. Wanneer er lagere delen in het plangebied zitten en deze kunnen niet opgehoogd worden, dan hoeft de ‘niet-gerealiseerde opvang niet ergens anders opgevangen te worden.
Naastgelegen oudere bebouwing, bepaalde funderingen of andere relevante functies kunnen ook zorgen voor beperkingen van het infiltreren van hemelwater. Houd hier rekening mee. Het is aan de initiatiefnemer om te onderbouwen dat niet geïnfiltreerd kan worden.
Rijnland toetst met de huidige informatie van gemiddelde grondwaterstanden of er eenmalig 20 mm geïnfiltreerd kan worden binnen 24 uur.
Wanneer een gebied niet opeenvolgend 20 mm neerslag per dag in de bodem kan inbrengen omdat het dan te drassig wordt, kunt u bijv. drainage aanleggen of vergroten, of kan een ontwikkelgebied (openbare én private ruimte) hierop ingericht worden (bijv. ophogen of aanwijzen van wadi’s of plas-dras gebiedjes). Er moet dan ook nagedacht worden over het beheersen van de grondwaterstanden, voor zowel droge als natte perioden.
Andere manieren van waterberging
We staan alle vormen van waterberging toe, alleen als de werking voldoende is aangetoond en de voorziening goed onderhoudbaar is. Ook is het van belang dat de bergingen na regenval vertraagd kunnen leeglopen. Houd rekening met de toekomst. Wij adviseren de voorzieningen iets groter te bouwen (10% overcapaciteit), zodat er marge is die in de toekomst van pas kan komen.
Van de volgende methoden en systemen is een goede werking al voldoende aangetoond:
- ‘Kunstmatige’ bergingen in de bodem (boven de grondwaterstand), zoals:
- Kratten of blokken onder het wegdek, parkeervakken of onverhard terrein;
- Drainage-Infiltratie-Transport riolen (DIT-riolen).
- Opslag in waterzakken onder woningen;
- Opslag in bovengrondse bergingsoplossingen, zoals:
- Groene daken (sedumdaken met dikke laag substraat);
- Waterbassins;
- Wadi's.
- Infiltratie in de diepe ondergrond in het 1ste Watervoerende pakket (seizoensberging).
De eisen rondom de alternatieve wijze van waterberging staan in Paragraaf 41.1.2.3 van de Waterschapsverordening. De omvang en de werking van deze bergingslocaties moet in beeld gebracht worden door de initiatiefnemer in een waterhuishoudkundig plan of iets soortgelijks. Toon hierbij aan dat de opslagcapaciteit is afgestemd op het lokaal afwaterende oppervlak, zodat de voorzieningen ook effectief gebruikt worden. Ook dient de initiatiefnemer het beheer en onderhoud van deze voorzieningen aantoonbaar te hebben geregeld. Dit geldt ook voor de richtlijnen voor het leeglopen.
De initiatiefnemer moet het functioneren én het onderhoud van eventuele voorzieningen aantonen in een onderhoudsplan en borgen voor de toekomst. Daarnaast worden de voorzieningen opgenomen in de Legger van Rijnland en schrijven we in de vergunningen ook voorschriften over de zorgplicht. Handhaving wordt in nauwe samenwerking afgestemd met gemeenten, daar waar vanuit de hemelwaterverordening bijvoorbeeld ook bepaalde bergingsvoorzieningen worden geëist. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de (blijvende) werking van bergingsvoorzieningen die vanuit de gemeentelijke hemelwaterverordening op particulier terrein worden aangelegd.
Niet afwentelen
Het niet-afwentelen principe toetsen we door na te gaan of bepaalde voorzieningen de afvoeren met maximaal 0,6 liter per uur per m2. Daarnaast zit het niet afwentelen ingebed in de berekeningswijze van berging in het open water.
Tip: zorg voor gelijksoortige verhoudingen van stuwbreedtes ten opzichte van het afstromend oppervlak: 1 cm per 1 ha afwaterend gebied. Gebruik (smalle) drempels, ventielen of uitlaten in Drainage (Infiltratie) Transport-riolen of afvoerbuizen. Ook dient de lokale afwatering van opgehoogd gebied via het maaiveld niet het bestaande, lager gelegen bebouwde gebied in problemen te brengen. De verantwoordelijkheid voor deze laatste controle ligt echter bij de gemeente en niet bij Rijnland.
Inrichten op (toekomstig) schommelend peil
Klimaatverandering zorgt voor extremer weer. Door het waterpeil meer te kunnen laten schommelen, zijn we beter bestand tegen deze extremen. We kunnen neerslag beter opvangen en langer vasthouden. Zo ontstaat een meer zelfvoorzienend gebied en watersysteem, waarbij minder water hoeft te worden ingelaten en weggepompt hoeft te worden. Ook kunnen we dan binnen het peilbesluit beter ruimte scheppen voor extreme neerslag of tijdelijk hogere peilen voeren tijdens droogte. Zo beperken we de gevolgen van droogte en wateroverlast.
Flexibel peil is in deze context bedoeld als een type peilbeheer waarin streefpeilen kunnen schommelen tussen een bepaalde minimum en maximum waterstand. Dit kan op natuurlijke wijze, met doorgaans zomers lagere en ’s-winters hogere waterpeilen. Maar ook meer actief gestuurd door Rijnland, op basis van de seizoenen, met een relatief grote beheermarge. Dit laatste noemen we dynamisch peilbeheer, waarbij peilfluctuaties over het algemeen korter duren en we juist in de zomer hogere en in de winter lagere peilen aanhouden.
De initiatiefnemer richt het plangebied in, rekening houdend met (toekomstige) frequente schommelingen van het peil van 30 cm. Richt bij een bestaand vast peil het gebied in op een waterpeil dat geregeld 20 cm hoger zal liggen en 10 cm lager. Bij bestaand zomer- en winterpeil, neem dan het gemiddelde hiertussen. Vervolgens zal Rijnland in de toekomst het waterpeil laten schommelen tot maximaal 20 cm daarboven en 10 cm daaronder. In overleg kunnen we hiervan afwijken. Wanneer schommelend peil direct ingesteld kan worden, mag 2/3 van de marge (het verschil tussen de boven- en ondergrens van het schommelende peil) als berging meegeteld worden. Bij een marge van 30 cm is er dus 20 cm waterschijf extra beschikbaar. Dit wordt opgeteld bij de beschikbare bergingsschijf danwel tot het acceptabel waterpeil.

Meer informatie?
Heeft u vragen over de klimaatregels? Neem dan telefonisch contact op met ons klantcontactteam via 071 - 306 35 35.