De aanleg van een waterleiding vanuit het Kennemer Duingebied verliep aanvankelijk moeizaam. In 1845 vroeg de gepensioneerde ingenieur-majoor van de Genie, Christiaan Vaillant, een concessie aan voor de oprichting van een onderneming die Amsterdam via een pijpleiding van duinwater moest voorzien. Schrijver en rijksadvocaat Jacob van Lennep omarmde het idee en zocht financiering in Amsterdam. De rijke Amsterdammers zagen echter geen toekomst in het plan en waren niet bereid te investeren.
Water uit de duinen voor Amsterdam
Dankzij Van Lenneps goede contacten met Bland William Croker, ingenieur bij het Londense waterleidingbedrijf, wist hij uiteindelijk Engelse geldschieters te interesseren. Op 9 mei 1851 verscheen een advertentie in de Amsterdam Courant, waarin werd gemeld dat de uitvoering van het plan alsnog mogelijk was. Deze publicatie trok uiteindelijk enkele kapitaalkrachtige Amsterdammers over de streep. Op 11 juli 1851 werd de Amsterdamsche Duinwater Maatschappij opgericht, waarbij een van de comparanten Croker zelf was. Hij zou samen met een andere Engelse ingenieur het waterleidingproject bij Leiduin realiseren en tekende de kaart van de verbindingsduiker (A-1692).
Van Lennep werd de eerste directeur van de Amsterdamsche Duinwater Maatschappij en zette zich met zijn familie in voor een goede drinkwatervoorziening voor Amsterdam. Zij stelden hun duingebied bij de Oase en Leyduin beschikbaar voor het graven van waterwinkanalen en de installatie van stoommachines en gebouwen.
Rond 1853 werd voor het eerst water uit de Kennemer Duinen via waterleidingbuizen naar Amsterdam gebracht. De voordelen van schoon drinkwater werden al snel zichtbaar: tijdens de cholera-uitbraken in de tweede helft van de 19e eeuw bleef Amsterdam grotendeels gespaard. Door het succes moest de afdeling Gemeentewaterleiding van Amsterdam in 1898 verbeteringen aanbrengen in het waterleidingennet, waaronder het verdiepen van de Oranjekom. Dit bracht echter een probleem met zich mee: de beek bij Leiduin kreeg onvoldoende watertoevoer, waardoor de irrigatie van de omliggende landerijen in gevaar kwam.
Om dit te verhelpen werd datzelfde jaar een overeenkomst gesloten tussen de gemeente Amsterdam en enkele grondeigenaren. De gemeente verplichtte zich tot de inrichting van een pompstation, waarmee water uit de Leidse Vaart naar de hoger gelegen kom kon worden gebracht en de irrigatie verzekerd bleef. De kosten van aanleg, onderhoud en bemaling kwamen volledig voor rekening van de gemeente. Dat kostte de gemeente zo veel geld en mankracht dat zij in 1901 de genoemde verplichtingen wilde overdragen aan een waterschap. Dit leidde tot oprichting van het waterschap Mariënduin.
Waterschap Mariënduin
Het waterschap Mariënduin lag onder de gemeente Bloemendaal, ten westen van kanaal de Leidse Vaart. De westgrens werd bepaald door de Oranjekom. De oostgrens kwam in grote lijnen overeen met de grens tussen de gemeenten Bloemendaal en Heemstede. In het kader van de concentratie van polders binnen het hoogheemraadschap van Rijnland werd het waterschap in 1979 opgeheven.
De kaart van de verbindingsduiker
De verbindingsduiker speelde een belangrijke rol in het waterwinstelsel van de Kennemerduinen. De kaart (A-1692) laat zien hoe een duiker, twee waterlopen met elkaar verbindt als deze worden onderbroken door een wegconstructie. Het gaat om de verbinding tussen de Leybeek en het verbindingskanaal met de Oranjekom.
De kaart bevat verschillende schematische weergaven van de duiker, waarbij het waterwin-kanaal en de Leybeek in rood zijn weergegeven. Met groene lijnen is het gedeelte van het perceel aangeduid dat eigendom was van J.D. van Lennep en moest worden opgekocht voor de werkzaamheden.
Bronnen:
- Inventaris archief 1.2.8 waterschap Mariënduin, Gert Koese, 2005
- Ons Amsterdam | DUINWATERLEIDING 160 JAAR, 2013: Zie Ons Amsterdam | DUINWATERLEIDING 160 JAAR. Leyduin: Over zuiver…
- Duinen en mensen Kennemerland, Uitgeverij Natuurmedia, Amsterdam, 2009.
- Heerlijkheden nr 171, Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek, 2017 Zie: HH_2017-1.pdf