G. ’t Hart opent zijn beschrijving van Willem V (1748-1806) met het weetje dat deze prins-stadhouder meer bezoeken aan het gemeenlandshuis te Leiden bracht dan welke Oranjevorst dan ook. In totaal bracht hij vier dagdelen door in het pand aan de Breestraat: op 7 en 25 augustus 1768, op 9 februari 1775 en 15 juli 1776. Willem V was blijkbaar een graag geziene gast, terwijl een bezoek aan het gemeenlandshuis vermoedelijk op enthousiasme van de stadhouder kon rekenen. Het is niet voor niets dat het Rijnlandse bestuur, ruim 150 jaar na het overlijden van Willem V, zich nog een beetje met hem verbonden voelde.
Van verdere bezoeken kwam het echter niet. In 1795 vluchtte Willem V naar Engeland, nadat het Franse leger de Republiek binnen was gevallen. Kort daarna werd de Bataafse Republiek uitgeroepen en sindsdien leefde de prins van Oranje in ballingschap. Willem V probeerde nog voet aan wal te krijgen in de Republiek, maar het mocht niet baten. Eind 1801 gaf de voormalig stadhouder zijn prinselijke ambities op, waarna hij zijn laatste jaren spendeerde binnen de grenzen van het Duitse Rijk. Willem V overleed op 9 april 1806 in Braunschweig tijdens een bezoek aan zijn dochter Louise. Aldaar werd hij begraven in de hertogelijke grafkelder van de Sint-Blasiuskerk (de huidige Braunschweiger Dom).
Willem V keert in 1958 terug naar vaderland
Terug naar het – iets recentere – verleden. Op 12 maart 1958 behandelden dijkgraaf en hoogheemraden een brief van het Comité overbrenging stoffelijk overschot Z.D.H. [Zijn Doorluchtige Hoogheid] Prins Willem V. Hierin werd aangegeven dat sinds de bevrijding van het vaderland van de Franse overheersing in 1813 al meermaals was geprobeerd om het lichaam van Willem V over te brengen naar de koninklijke grafkelder in de Nieuwe Kerk te Delft. Zo konden zijn stoffelijke resten herenigd worden met die van zijn vrouw en kinderen. Maar hiervoor was een subsidie nodig. Het comité had besloten om zoveel mogelijk Nederlandse instellingen die voor of in het jaar 1806 zijn opgericht aan te schrijven en om een geldelijke bijdrage te vragen. Het bestuur ging al eerder te rade bij Fockema Andreae. In een uitvoerige aantekening beschreef de secretaris het bezoek dat Willem V op 9 februari 1775 bracht aan het gemeenlandshuis, dat volgens hem “het enige bezoek van een Oranjeprins of -vorst aan Rijnland is geweest, althans het meest opvallende […].” Op basis van dit onderzoekje besloot het bestuur om een bedrag van 100 gulden beschikbaar te stellen. In de brief die dijkgraaf en hoogheemraden naar het comité stuurden werd daarnaast nog een opmerking toegevoegd dat het hoogheemraadschap al in 1202 bestond. Dit briefje is hieronder in zijn geheel te lezen.
Mijne Heren,
naar aanleiding Uwer circulaire van 4 dezer berichten wij u, dat wij besloten hebben uit de middelen van ons Hoogheemraadschap een bedrag van f100 voor het door U nagestreefde doel beschikbaar te stellen.
Wij voegen hierbij een aantekening betreffende een contact dat er tussen Prins Willem V en dit Hoogheemraadschap is geweest.
Wat ons stichtingsjaar betreft delen wij u mede, dat dit Hoogheemraadschap geacht wordt in het jaar 1202 reeds bestaan te hebben; bij gebreke van een nauwkeuriger aanduiding houden wij ons aan dat jaartal.
D & HH
Afbeelding: minuut-brief van 12 maart 1958 betreffende het verlenen van een subsidie voor het overbrengen van het stoffelijk overschot van Willem V. Afkomstig uit 1.1.2/1422.
Op 28 april was het zover: na een uitvaartdienst in Brunswijk werd de kist richting Delft getransporteerd, waarbij de auto werd begeleid door de West-Duitse militaire politie. Een dag later bereikte de stoet de Nieuwe Kerk. Hier werd een korte bijeenkomst gehouden, die door Willems achterachterkleinkind, Koningin Juliana, werd bijgewoond. Zo keerde Willem V uiteindelijk terug naar zijn vaderland, met een beetje hulp van het hoogheemraadschap.
Bronnen
- 1.1.2/1422: Stukken betreffende verlening van subsidie door het overbrengen van het stoffelijk overschot van Prins Willem V van Brunswijk naar Delft, 1958.
- G. ’t Hart, Cortège de Barbarossa. Graven van Holland, stadhouders en andere vorstelijke personen, welke betrekkingen met Rijnland hebben onderhouden (Leiden 1977).