Heel af en toe vinden we iets nieuws ergens achter in het depot. Zo werd een tijdje geleden een bijzonder stuk ontdekt. In een nog niet geïnventariseerde aanvulling op het Oud Archief van Rijnland (1255-1857, toegangscode 1.1.1) vonden we een klein pakketje. Het bleek te gaan om een opgevouwen charter, wat met papier omwikkeld was. Het perkamenten stuk werd gerestaureerd en opengevouwen, waardoor het leesbaar werd. Na enig onderzoek bleek het te gaan om een dijkgraafbenoeming uit 1573. Zoals gezegd, een unieke vondst!
Hoe wordt een dijkgraaf tegenwoordig gekozen?
Het ambt van dijkgraaf is al eeuwenoud, al is de functieomschrijving in de loop der tijd zeker veranderd. Tegenwoordig wordt een dijk- of watergraaf bij Koninklijk Besluit benoemd. In het geval van Rijnland wordt een kandidaat door het algemeen bestuur voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten van Noord- en Zuid-Holland. Zij voorzien deze aanbeveling van hun beschouwingen, voordat het wordt voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Vervolgens geeft de Koning zijn akkoord en wordt de nieuwe dijkgraaf beëdigd voor een termijn van zes jaar.
Hoe werd een dijkgraaf in het verleden aangesteld?
Vroeger ging dat net even anders. Op 12 februari 1286 regelde graaf Floris V van Holland het waterbeheer ten zuiden van het IJ. In het bijbehorende charter legde de graaf vast dat de heemraden van de Spaarndam samen met de baljuw van Rijnland toezicht hielden op de waterstaatswerken (waaronder de Spaarndam en de Spaarndammerdijk). Een baljuwschap was een van de districten waarin het graafschap Holland was verdeeld. Hierbinnen trad de baljuw op als vertegenwoordiger van de graaf. Vanaf de 14de eeuw kwam de term dijkgraaf op, die werd toegepast wanneer de baljuw zich bezighield met het waterbeheer. Dit was geen adellijke titel, zoals de naam suggereert. De dijkgraaf was namelijk de vertegenwoordiger van de graaf in dijkzaken. Desondanks werd de functie voornamelijk vervuld door heren van adellijke afkomst.
De dijkgraaf werd direct aangesteld door de landheer of een vertegenwoordiger daarvan. Achtereenvolgens werden dijkgraven benoemd door de Hollandse graven, de Bourgondische hertogen en de Habsburgse koningen en keizers. Dit laatste was het geval in 1573. Op 26 augustus van dat jaar werd Foy van Brouchoven aangesteld als baljuw en dijkgraaf van Rijnland. Dit werd vastgelegd in het onderstaande charter. Als je het document even bekijkt, zou je denken dat Van Brouchoven direct werd benoemd door Filips II, koning van Spanje. De eerste zes regels van de tekst beslaan zijn titels en zijn zegel is aan het stuk gehangen. Echter, wanneer men het onderschrift leest blijkt dat de dijkgraaf uit naam van de koning is aangesteld door de stadhouder, Willem van Oranje.

Afbeelding charter: Benoeming van Foy Jansz. van Brouchoven tot baljuw en dijkgraaf van Rijnland, 26 augustus 1573. NL-LdnHHR, Charters en andere oorkonden, CHRT-1380.
Het is in verschillende opzichten een bijzonder stuk. Veel benoemingen van Rijnlandse dijkgraven zijn niet bewaard gebleven. Daarbij is de context van het charter interessant. Ten tijde van de benoeming van Van Brouchoven bevonden de Nederlanden zich in de beginfase van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), waarin Filips II en Willem van Oranje recht tegenover elkaar stonden. Het is enigszins vreemd, gezien deze omstandigheden, dat de stadhouder uit naam van de koning deze benoeming uitvoert… Of niet? Aan het begin van de Opstand werd Filips II nog steeds gezien als de wettige landheer van de Nederlanden. Pas met het ondertekenen van het Plakkaat van Verlatinghe in 1581 werd de Spaanse koning afgezworen en werd het verboden om zijn zegel te gebruiken. Sindsdien werden dijkgraven benoemd door de Staten van Holland.
En... Hoe verliep het verder met Van Brouchoven? Zijn benoeming kon op geen ongunstiger moment plaatsvinden. Het Rijnlandse bestuur was vlak daarvoor opgesplitst in een staatsgezind college te Leiden en een Spaansgezind college te Utrecht. De Leidse factie, onder leiding van Van Brouchoven, bevond zich in een lastige situatie onder andere door de Spaanse belegering van Leiden en kon weinig uithalen. Pas na het Leidens ontzet in 1574 en het vertrek van de Spaanse troepen uit Holland rond 1577 kreeg het Leidse college het bestuur weer in handen en werd de Utrechtse tak opgeheven. Tot 1588 zou Van Brouchoven dijkgraaf blijven. In dat jaar volgde hij zijn vader op als secretaris en rentmeester van Rijnland. Dit bleef hij tot zijn dood in 1610.
Informatie uit portretgalerij
Toen in 1568 de Tachtigjarige Oorlog uitbrak tussen de Nederlanden en Spanje kwamen de dijkgraaf en hoogheemraden voor een lastige keuze te staan: achter welke partij zouden zij zich scharen? Kozen zij de kant van de Nederlandse opstandelingen of die van de koningsgezinde aanhangers van de Spaanse koning, Filips II? Er bleek geen unanimiteit te heersen, waardoor in 1573 het college in twee delen werd opgesplitst: de staatsgezinde hoogheemraden bleven in Leiden actief, terwijl de koningsgezinden uitweken naar Utrecht. Voor een korte periode functioneerden er twee colleges en dus twee dijkgraven naast elkaar: Foy van Brouchoven voor de staatse zijde en Gerardt van Weert voor die van de Spaanse. Het ‘Leidse’ college kon tijdens deze periode weinig verrichten, terwijl het ‘Utrechtse’ college met veel moeite de waterstaatswerken (met name de Spaarndammerdijk) wist te herstellen.
Deze situatie hield niet lang stand. Door de terugtrekking van de Spaanse troepen uit de regio was de rol van het Utrechtse college uitgespeeld. Daarmee was het besluit van de Staten van Holland om het Leidse college officieel weer in te stellen de laatste nagel in de doodskist van de koningsgezinde hoogheemraden. Vijandelijk was de onderlinge relatie tussen de colleges niet te noemen: het Utrechtse college werd bedankt voor de verrichte werkzaamheden, maar daar bleef het bij.
Afbeelding: Foy van Brouchoven (1542-1610), vervaardigd in 1601. Beschikbaar via: Erfgoed Leiden en Omstreken.
Dijkgraaf 43: Foy Jansz. van Brouchoven
(1542-1610, dijkgraaf: 1573-1588)
Foy van Brouchoven was de zoon van Jan van Brouchoven en kleinzoon van Dirk van Brouchoven. Zijn vader was secretaris en rentmeester, terwijl Van Brouchoven aangesteld werd als dijkgraaf. Na de dood van zijn vader in het jaar 1588 werd hij benoemd tot het rentmeesterschap. Foy van Brouchoven overleed in 1610: zijn grafsteen is nog steeds te bezichtigen in de Pieterskerk van Leiden.
Door een ingewikkelde leenconstructie, waarbij Foy van Brouchoven garant stond voor Jacob van Endegeest voor de aankoop van Breestraat 59 in Leiden en Jan van Brouchoven dit pand van Van Endegeest later overkocht, werd Rijnland in 1578 eigenaar van het gemeenlandshuis.
Bronnen
- Wij beslissen gelukkig zelf! - Hoogheemraadschap van Rijnland
- Rogier van der Sande voorgedragen voor tweede termijn als dijkgraaf (deperslijst.com)
- Graaf Floris V regelt Rijnlands bestuur - Canon van Nederland
- Rijnlands bestuur ontslagen - Canon van Nederland
- Graven van dijkgraven - Hoogheemraadschap van Rijnland
- Rijnlands bestuur en waterstaat rondom het beleg en ontzet van Leiden (1570-1580), G. ’t Hart.