Middeleeuws handschrift in een polderarchief

10 september 2025
middeleeuws handschrift

In het archief van de polder Willens bevindt zich een bijzonder handschrift dat als titel heeft ‘Van die heerlikije der lande van Steyn’. Het is een dun schriftje in kwartoformaat (ongeveer A5-formaat), gebonden in een gestempelde leren omslag. Het handschrift bevat een beschrijving van de opeenvolgende heren die de heerlijkheid Stein bij Gouda in bezit hebben gehad en afschriften van belangrijke oorkonden uit de 14de en 15de eeuw. De tekst is waarschijnlijk (behalve enkele latere toevoegingen) in het begin van de 15de eeuw geschreven door een van de monniken van het klooster Emmaüs, dat in 1419 werd gesticht in de heerlijkheid Stein.

Een monnik als historicus

De heerlijkheid Stein lag ten oosten van Gouda en is ontstaan uit laatmiddeleeuwse ontginningen langs de Hollandse IJssel. In de 12de eeuw gaf de Utrechtse bisschop het land van Stein aan het kapittel van Oudmunster, een van de vijf Utrechtse kapittels. De heren van Oudmunster gaven het vervolgens in leen aan de heren van Beaumont en Blois. In 1419 kregen de Augustijner monniken uit Gouda toestemming van heer Jan, bastaard van Blois, om in het land van Stein een klooster te stichten. Dit klooster heeft niet lang bestaan, al in 1549 werd het door brand verwoest en daarna niet herbouwd. Wel is het klooster bekend geworden, doordat Erasmus er in 1487 zijn intrede deed. In de periode dat het klooster bestaan heeft, werden daar de privileges van het land van Stein bewaard. Rond het jaar 1500 moet een van de monniken het idee hebben opgevat om de bestuurlijke geschiedenis van de heerlijkheid op te schrijven en ook afschriften te maken van belangrijke oorkonden. In 1932 schreef mr. S.J. Fockema Andreae een artikel over de heerlijkheid Stein in het Tijdschrift voor Geschiedenis. Hij opperde dat de samensteller van het handschrift wellicht de in 1510 overleden kloosterling en kroniekschrijver Willem Hermanszoon van Gouda was, een vriend en correspondent van Erasmus. Meer dan een veronderstelling is dat echter niet.

Wat doet zo’n handschrift in een polderarchief? De monniken verhuisden na de brand naar het Brigittinessenklooster in Gouda en namen alle papieren mee die ze hadden kunnen redden. Toen de Reformatie voet aan de grond kreeg in Holland, kregen alle steden de kloosters binnen hun muren in bezit. Het stadsbestuur van Gouda liet in het jaar 1576 alle boeken uit de kloosters overbrengen naar de stadslibrije, de bibliotheek. De losse documenten raakten verspreid. Het handschrift werd waarschijnlijk niet naar de stadslibrije, maar naar de stedelijke secretarie overgebracht. In het begin van de 18de eeuw raadpleegde pastoor Ignatius Walvis het voor zijn Beschryving der stad Gouda, die in 1713 in twee delen verscheen. Hoe het vervolgens in een waterschapsarchief terecht is gekomen, kan helaas niet uit de stukken worden gereconstrueerd. Er zijn wel enkele aanwijzingen die meer zeggen over de verdere lotgevallen van het handschrift.

Wanordelijke waterschapsarchieven

In 1849 stuurde de gouverneur van Zuid-Holland een brief aan de besturen van de polders Stein en Willens en het Hoogdijksbestuur van Stein en Willens met verzoek een einde te maken aan de wanorde waarin de archieven van deze drie waterschappen zich bevonden. De stukken waren door elkaar geraakt, een gevolg van het feit dat de drie waterschappen een tijdlang dezelfde secretaris hebben gehad. Het ging om mr. J.L.A. de Grave, die ook burgemeester van de gemeente Stein was. Hij had bij zijn aantreden als secretaris de archieven bij zijn voorgangers opgehaald en naar een ruimte in het gemeentehuis van Stein overgebracht. Toen hij in 1842 als burgemeester aftrad, nam hij alle archieven mee naar zijn eigen woning. De besturen maakten na ontvangst van de brief werk van het splitsen van de archieven. De veronderstelling ligt voor de hand dat het handschrift in 1849 in het archief van de polder Willens is geplaatst. In november 1930 inspecteerde Fockema Andreae als archivaris van Rijnland de archiefkast van de polder Willens. Hij trof hier toen het handschrift aan. In 1934 werd het polderarchief naar Rijnland overgebracht om daar te worden bewaard. Twee jaar later gaf Fockema Andreae het handschrift op diens verzoek weer terug aan de secretaris van de polder. Het was daar in 1950 nog steeds. In dat jaar verzocht mr. H. van der Linden de secretaris om het handschrift naar een van de Leidse archieven over te brengen zodat hij het kon raadplegen voor zijn proefschrift (De cope). Of de secretaris hier positief op heeft gereageerd en wat er na 1950 met het handschrift is gebeurd, weten we niet. Per 1 januari 1979 werden de polders opgeheven en werden alle archieven in bewaring gegeven bij Rijnland. Het handschrift moet toen ook weer bij Rijnland terecht gekomen zijn.

NL-LdnHHR_2.2.17_0021_00004

Een willekeurige pagina uit het handschrift over de heerlijkheid Stein.

Regesten

Tijdens zijn inspectiebezoek maakte Fockema Andreae regesten of beknopte samenvattingen van de oorkonden in het handschrift. Hierbij constateerde hij dat van de 18 stukken er 12 geheel of gedeeltelijk op waterschapszaken betrekking hebben. Het hoeft dus geen verwondering te wekken dat dit handschrift in een waterschapsarchief is opgenomen. De vraag is echter of het niet beter in het archief van het Hoogdijksbestuur van Stein en Willens een plek had kunnen krijgen. Dit Hoogdijksbestuur van Stein en Willens was een overkoepelend waterschap, qua taken en bevoegdheden vergelijkbaar met het hoogheemraadschap van Rijnland. Veel oorkonden in het handschrift hebben betrekking op het ‘land van Stein’ in zijn geheel, niet op een van de twee specifieke polders die in dit gebied lagen.

Hebben de bestuurders die zich in 1849 ten huize van De Grave bezighielden met de splitsing van de vermengde archieven een fout gemaakt? Dat ze met niet al te veel kennis van zaken gewerkt hebben, is wel gebleken. Bij latere bewerkingen van de archieven moesten alsnog diverse stukken naar een ander archief verhuizen. Daar staat tegenover dat het handschrift niet voorkomt in een inventaris die eind 18de eeuw is opgemaakt van het archief van het Hoogdijksbestuur. Berustte het wellicht in het archief van de gemeente Stein en is het door De Grave bij een van zijn verhuisacties bij de waterschapsarchieven beland? Of moeten we de opname in het archief van de polder Willens toch vroeger dateren? Fockema Andreae lijkt van deze vragen geen last te hebben gehad. Hij gaf het handschrift zonder problemen een plek in de inventaris die hij in 1934 van het archief van de polder Willens opstelde. Zodoende berust deze parel nu in de archieven van het hoogheemraadschap.

Bronnen

  • NL-LdnHHR, Archief van de polder Willens, inv.nr 44, ‘stukken betreffende zorg en beheer van het archief, 1849-1964’.
  • NL-LdnHHR, Oud Archief Rijnland, inv.nr StW-18, ‘inventaris van het archief van het Hoogdijksbestuur (…), 1789’.
  • Mr. S.J. Fockema Andreae, ‘Stein, het ontstaan van een vrije hooge heerlijkheid op de grenzen van Holland en van hare bestuursorganen’, in: Tijdschrift voor Geschiedenis 47 (1932) 396-431.