Ode aan het landleven

12 januari 2024
A-1073 Ode aan het landleven-gespiegeld Auteur: Gert Koese

De landmeter Adrianus Hanegraaff heeft een flinke hoeveelheid kaarten nagelaten in het archief van het hoogheemraadschap. In de online collectie zijn 306 kaarten opgenomen die óf met zekerheid door hem zijn gemaakt, óf op grond van het handschrift aan hem worden toegeschreven. De stijl van Hanegraaff is goed te herkennen te midden van die van anderen. Opvallend is dat hij veel gebruik maakt van mintgroen voor het weergeven van wateren en perceelgrenzen.

In de periode 1815-1820 maakte Hanegraaff meerdere kaarten van de Schinkelpolder. In deze polder, gelegen langs de oostelijke oever van het Haarlemmermeer in het ambacht en later de gemeente Aalsmeer, werd sinds de 18de eeuw druk verveend. Dit gebeurde ook in aangrenzende polders, wat er de oorzaak van was dat de oever van het Haarlemmermeer aan deze zijde ernstig verzwakt was. Bescherming was nodig om landverlies tegen te gaan. Vanaf Leimuiden tot Aalsmeer werd de oever daarom versterkt met paalwerken. Dit was een kostbare maatregel, waarvoor Rijnland een forse subsidie ontving van de Staten van Holland.

In december 1815 diende de burgemeester van Aalsmeer bij Gedeputeerde Staten (GS) van Noord-Holland een verzoek in om de polder geheel uit te venen en daarna droog te maken. Op een kaartje dat dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland bij hun advies aan GS over deze aanvraag hebben gevoegd, is te zien dat de polder voor een groot deel uit water bestaat (A-2670). Alleen langs de meeroever in het noordwesten en langs de Oosteinderdijk in het zuidoosten zijn nog percelen land zichtbaar. Op een meer gedetailleerde kaart die Hanegraaff een jaar later maakte zijn in het midden van de waterplas nog enkele percelen te zien waar de turven op hopen staan te drogen (A-1075).

GS van Noord-Holland verleenden de vergunning. In september 1818 werd het reglement tot vervening, bedijking en droogmaking van de Schinkelpolder bij Koninklijk Besluit (KB) goedgekeurd. In artikel 3 van het KB was opgenomen dat de landmeter van Rijnland metingen moest verrichten om op basis daarvan een kaart te vervaardigen. In maart 1819 kwam Hanegraaff met een fraaie kaart van de polder. Elk ingetekend perceel voorzag hij van een nummer. In een tabel aan de linkerzijde noteerde hij van elk perceel de grootte in de maten morgen, hont en roede (A-1073).

Wat deze kaart extra fraai maakt is een gewassen pentekening waarmee Hanegraaff de ruimte onderin heeft opgevuld. We zien een oer-Hollands landschap, waarin de uitoefening van diverse bedrijfstakken van het platteland is uitgebeeld. Op de veenplas op de voorgrond houden vier mannen zich bezig met de visserij met de zegen. Twee mannen varen in een bootje, terwijl de twee anderen aan land een lijn naar zich toehalen waaraan een lang drijfnet is bevestigd dat met een wijde boog vanaf het bootje in het water ligt. Door het naar zich toe te halen sluit de cirkel zich, waarna de vangst tot slot aan land kan worden getrokken. Op het land achter de veenplas graast een kudde schapen. De herder die erbij staat is in gesprek met een toevallige passant, terwijl een hond de schapen nauwlettend in de gaten houdt. Daarnaast bewerkt een boer het land met een ploeg die getrokken wordt door een span paarden. Twee anderen zijn gewapend met een schop en emmer bezig, waarschijnlijk met het poten van een gewas. Achter de bosschages rijzen een molen en een spitse kerktoren op. Aan de andere kant, op een veenplas op de achtergrond, zijn twee mannen in een bootje bezig met het baggeren van turf. Op het land achter de veenplas liggen de turven op hopen te drogen. Twee mannen zijn aan de oever bezig met het treden en steken van turven. Rechts van het tafereel ligt een idyllische boerderij, omzoomd door bomen. De tekenaar geeft zelf aan de linkerzijde een duiding van zijn tekening. Op de voorgrond zijn twee halfnaakte jongetjes afgebeeld onder een boom, die een hoorn van overvloed uitgieten. Deze hoorn staat symbool voor welvaart en vruchtbaarheid. Hanegraaff wilde er wellicht mee uitdrukken dat de bedrijvigheid op het platteland de bewoners grote welvaart geeft. Dat dit niet altijd opgaat maakt de geschiedenis wel duidelijk. Juist gebieden die totaal uitgeveend raakten konden tot armoede vervallen.

Opvallend is dat Hanegraaff nog een exemplaar van deze kaart maakte met aan de onderzijde weer een gewassen pentekening (A-1074). Deze tekening laat hetzelfde tafereel zien, maar is toch op onderdelen net wat anders. De beide landlieden die een gewas aan het poten zijn, hebben iets meer grond overhoop gehaald. De kudde schapen is gereduceerd van zeven tot drie, terwijl de hond nergens meer te zien is. De herder praat onverstoorbaar verder. We zullen hier verder niets achter hoeven te zoeken. Hanegraaff bedoelde met beide pentekeningen hetzelfde aan te geven: een ode aan het welvaart brengende landleven.

Afbeelding: A-1073: Kaart van de te vervenen en droog te maken Schinkelpolder, door Adrianus Hanegraaff, 1819. LdnHHR, Collectie kaarten, A-1073.