De Rijnlandse “Waakzaamheid”: Een “deftig, duurzaam en bevallen” schip.

31 januari 2024
Uitsnede, zijwand van de roep A-3316 Auteur: Janneke Groen

Eén van de oudste taken van het hoogheemraadschap van Rijnland is het inspecteren van waterstaatswerken, ook wel het schouwen genoemd. Floris V bepaalde middels het charter van 1286 dat de heemraden van de Spaarndam samen met de baljuw (later dijkgraaf) van Rijnland verschillende waterstaatswerken mochten schouwen. Deze inspectierondes vonden op drie vaste momenten in het jaar plaats (in de 15de eeuw werd dit uitgebreid naar vier keer per jaar). Vergezeld door enkele hoogheemraden en lokale ambachtsbestuurders, trok de dijkgraaf te voet, per wagen of zelfs per boot door heel Rijnland. Hierbij controleerde het gezelschap nauwkeurig of de waterstaatswerken goed werden onderhouden.

Een belangrijk aandachtspunt voor het hoogheemraadschap was het Haarlemmermeer. Door de grootschalige vervening die langs de randen van het meer plaatsvond, kalfde een deel van de oevers af. Het leidde ertoe dat het meer een steeds grotere vorm aannam, met alle gevolgen van dien. Om de oeverafkalving tegen te gaan werden, met name langs de oostelijke oever, paalwerken geplaatst. Ook deze oeverwerken werden door dijkgraaf en hoogheemraden geïnspecteerd.

Rijnland koopt een boot

De inspecties werden deels te water uitgevoerd. Omdat dijkgraaf en hoogheemraden voor 1820 niet over een eigen boot beschikten, maakten zij vermoedelijk gebruik van boten van bewoners uit de omgeving. Op den duur werd het idee geopperd door hoogheemraad David Hoeufft om een schip aan te schaffen. Rond 1823 kochten dijkgraaf en hoogheemraden een boeier van de erfgenamen van de onderopziener Willem de Vries. Aan het begin van de jaren 1830 werd geconcludeerd dat het in slechte staat verkeerde. Zodoende moest naar een alternatief gezocht worden.

Aanzichttekening van een meerboeier. Kaart A-3319

In 1832 verzocht het bestuur de scheepsontwerper Folkert Nicolaas van Loon uit Leeuwarden om een geheel nieuw schip te ontwerpen. De eerste resultaten verschenen op 17 juli van dat jaar, toen Van Loon enkele tekeningen meestuurde van zijn ontwerp voor een Fries, gedekt zeiljacht. Het betrof hier een zogenaamde ‘boeier’: een houten zeilschip dat opgewassen was tegen de sterke golfslagkracht van en de relatieve ondiepte in het Haarlemmermeer. Uiteindelijk kwam het schip bekend te staan als een ‘meerboeier’.

Afbeelding 1: Aanzichttekening van een meerboeier. Kaart A-3319.

Volgens Van Loon zou het een “deftig, duurzaam en bevallen” schip worden. Afgaande op de tekeningen, die zich nog altijd in de kaartencollectie van Rijnland bevinden, had de scheepsontwerper zeker niet gelogen. Het ging namelijk om een heus paviljoenjacht. De meerboeier zou een diepgang krijgen van 6 Amsterdamse voeten (1,7 meter), een lengte van 43 voeten (12,2 meter) en een breedte van 14 voeten (4 meter). Daarbij was het interieur zeer fraai aangekleed. Zo blijkt dat het paviljoen of het ‘cajuitje’ bekleed werd met houten panelen. Deze konden verschoven worden, waardoor men toegang kreeg tot één van de vier slaapplekken, de opbergplekken of de servieskast. In diezelfde ruimte hing een spiegel en werd een schoorsteenmantel geplaatst. Om het tafereel compleet te maken werd een mahoniehouten tafel midden in het paviljoen gezet. Tevens was er een privaat of toilet aan boord. Het bestuur zou dus van alle gemakken voorzien zijn tijdens een inspectietocht over het Haarlemmermeer. Van Loon stelde tevens een rekening voor alle benodigde werkzaamheden op. De scheepsontwerper begrootte dat het bestuur in totaal 4.509,60 gulden (ongeveer 51.000 euro) moest afrekenen voor de meerboeier.

Afbeelding 2: Project onverkort andere welmening of ordonantie van de heeren of plattegrond van een meerboeier. Kaart A-3318.

Dijkgraaf en hoogheemraden waren zeer enthousiast over het ontwerp. Nog datzelfde jaar werd begonnen met de bouw van het schip. Eeltje Teadzes Holtrop uit het Friese stadje IJlst nam het vervaardigen van de romp voor zijn rekening, terwijl Van Loon werd aangesteld als toezichthouder. Het schip werd in april 1833 te water gelaten. Van Loon, trots op zijn creatie, vroeg het bestuur toestemming om de meerboeier persoonlijk vanuit Friesland naar Leiden te varen. Daar werd het overgedragen aan dijkgraaf en hoogheemraden. De meerboeier kreeg de toepasselijke naam “de Waakzaamheid”. Het bestuur, eveneens onder de indruk van het nieuwe schip, overhandigde Van Loon een zilveren tabaksdoosje, waarin zij door middel van een inscriptie haar tevredenheid en dank toonde “over den aanbouw van een extra snelzeilend Jagt.”

Vervolgens werd de meerboeier geheel naar de zin van dijkgraaf en hoogheemraden ingericht. In het archief is een lijstje te vinden met spullen die in mei 1834 werden aangekocht:

  • Drie verlakte trommeltjes voor koffie, thee en suiker
  • Twee fruit asjetten (= bordjes)
  • Twee sla bakken
  • Twee schaaltjes
  • Een visplaat en kom
  • Twee dozijn borden
  • Twee zout vaatjes
  • Een sla lepel en vork
  • Een dozijn tafel messen met vleesmes en vork
  • Twee tafellakens, twaalf servetten en zes handdoeken
  • Een tafel schel (= belletje of klokje)
  • Een kooi matras, vier hoofdpeulen (= langwerpig onderkussen), drie hoofdkussens, vier dekens, twaalf veldlakens, zes kussenslopen
  • Een kompas
  • Een quadrille doosje (= kaartspel of omberspel)
  • Een koperen stoof
  • Een koperen waterketel
  • Twee leren lampetkannen en kommen
  • Vier krukjes

Hoe het er precies aan toe ging tijdens een inspectieronde op de Waakzaamheid is onduidelijk, maar gezien de inrichting moet het niet geheel onplezierig zijn geweest.

Afbeelding 3: Voorstellende het voorlijkste dwarsschot dat de roef van het cabelruim scheidt. Kaart A-3315.

Afbeelding 4: De ene zijwand van de roef binnen met een glasenkast of flakke ovaal formige bergkas die uitgediept getimmert is 5 duim diep, aant voeteneind der slaapplaatzen. Kaart A-3316.

Het lot van de Waakzaamheid

Tegenwoordig is de Waakzaamheid niet meer in het bezit van Rijnland. Wat is er dan mee gebeurd? Uiteindelijk heeft de meerboeier zestien jaar dienst gedaan voor het hoogheemraadschap. Het was immers specifiek gemaakt voor de inspectietochten op het Haarlemmermeer en door de droogmaking daarvan kwam zijn functie te vervallen. Het jacht was te groot en lag te diep om andere boezemwateren te bevaren. Het bestuur had het niet meer nodig. Zodoende werd op 30 april 1849 het besluit genomen om de Waakzaamheid bij publieke veiling te verkopen. Hoogheemraad A.H. van Wickevoort Crommelin had contact gezocht met de Amsterdamse heren Cargadoors, Lubling en Van Meteren, die bereid waren om het schip te veilen. Het Rijnlandse wapen werd verwijderd en vervolgens werd het naar Amsterdam werd gevaren. De meerboeier werd acht dagen lang in het Singel tentoongesteld. Daarbij werd een affiche gedrukt waarop de veiling van de Waakzaamheid werd aangekondigd. Het werd aangeprezen als ‘een extra goed onderhouden groote buitengewoon snelzeilende en bijzonder fraai en gemakkelijk ingerichte boeijer, genaamd de Waakzaamheid.’ Dit was inclusief de verdere inboedel. De veiling vond plaats op maandag 4 juni 1849 om zes uur ’s avonds. Uiteindelijk leverde de verkoop van de Waakzaamheid 1.043,28 gulden (ongeveer 12.500 euro) op.

: Dhr. A. van der Starre, modelbouwer, biedt dijkgraaf Knobelsdorf een model van de meerboeier aan, 1978. FOTO-000316

Wat na de verkoop precies met de meerboeier is gebeurd is niet geheel duidelijk. Zo weten we niet wie de boot heeft gekocht in 1849. Volgens een artikel van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten komt het paviljoenjacht pas in 1932 weer boven water onder de naam “Wester”. Kort daarna wordt de boot verscheept naar Japan en werd het omgedoopt naar de “Lioe Goe Maroe”. Over de verdere levensloop van de meerboeier is slechts te speculeren.

Afbeelding 5: Dhr. A. van der Starre, modelbouwer, biedt dijkgraaf Knobelsdorf een model van de meerboeier aan, 1978. FOTO-000316.

Het schip mag dan geen eigendom meer zijn van het hoogheemraadschap, het is zeker niet verdwenen uit de Rijnlandse herinnering. Zo werd tijdens de viering van 400 jaar vestiging van het hoogheemraadschap in Leiden in 1978 een model van de meerboeier overhandigd aan dijkgraaf J. baron van Knobelsdorf door A. van der Starre. Ook de naam is nog niet in ongebruik geraakt. In de jaren 1970 werd opnieuw een inspectievoertuig naar de oude meerboeier vernoemd.

Bronnen

  • Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden (NL-LdnHHR), Hoogheemraadschap van Rijnland (Oud Archief (OAR), 1255-1857), inventarisnummer 1.1.1/65.
  • Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden (NL-LdnHHR), Hoogheemraadschap van Rijnland (Oud Archief (OAR), 1255-1857), inventarisnummer 1.1.1/843.
  • Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden (NL-LdnHHR), Hoogheemraadschap van Rijnland (1959-1986), inventarisnummer 1.1.3/1224.
  • Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden (NL-LdnHHR), Collectie kaarten, A-3314 tot en met A-3319.
  • Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden (NL-LdnHHR), Collectie foto’s en prentbriefkaarten, FOTO-000316 en FOTO-000317.
  • Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten “De Waakzaamheid – Wester – Lioe Goe Maroe”.
  • Dr. Ir. J. Vermeer, De Boeier (Alkmaar 2004) pp. 101-103.

Dit artikel is ook gepubliceerd in het blad Scheepshistorie.