Tijdens de Maand van de Geschiedenis met het thema Eureka! brengen we een ode aan de wetenschap. Het zorgen voor droge voeten en schoon water gaat niet zonder technische hoogstandjes en gedegen onderzoeken. Het hoogheemraadschap heeft altijd al dankbaar gebruik gemaakt van uitvindingen, metingen en observaties om de waterkwaliteit en -kwantiteit op peil te houden. Zo ook in de 18de eeuw, toen de waterbouwkunde als wetenschappelijke discipline op stoom kwam. Wis- en natuurkundigen vormden nieuwe theorieën en werkten ontwerpen uit die de strijd met het water moesten vergemakkelijken. Het ene plan was succesvol, terwijl het andere (soms letterlijk) in het water viel. Omdat niet alle projecten succesvol verliepen maar soms wel geweldige verhalen opleveren, willen wij aandacht besteden aan de beruchte waterbouwkundige Claude Leopold de Genneté en zijn Pesthuispomp voor de droogmaking van het Haarlemmermeer.
Het Grote Haarlemmermeer ontstond tussen het eind van de 15de en het begin van de 16de eeuw. Door turfwinning langs de randen van het meer waren de oevers ernstig verzwakt. Langs de randen vond veel oeverafslag plaats, waardoor verschillende dorpen al door de golven waren verzwolgen. Niet voor niets kreeg het meer de bijnaam de ‘Waterwolf’. Daarentegen werden plannen voor het droogmaken van het Haarlemmermeer van tafel geschoven. Haarlem en Leiden, goed vertegenwoordigd in het Rijnlandse bestuur, behaalden meer voordelen uit het behouden van het meer. Pas rond de 18de eeuw begon het tij te keren. Het bestuur kwam langzamerhand positiever tegenover de droogmaking te staan en was zelfs bereid om het project zelf uit te voeren. Gezien de grootte van het project, was men wel huiverig voor de kosten. Het bestuur was daarom zeer geïnteresseerd in uitvindingen die de werkzaamheden zouden bespoedigen.
De overeenkomst met Genneté
Zo kwam hoogheemraad Willem Bentinck van Rhoon in contact met Claude Leopold de Genneté, een waterbouwkundige en uitvinder uit Lotharingen. In 1749 was Van Rhoon als diplomaat aanwezig op het Keizerlijk hof te Wenen. Genneté presenteerde hier een mijnwaterpomp, die – volgens de waterbouwkundige – beter en goedkoper was dan de schepradmolens die in Nederland werden gebruikt bij polders en droogmakerijen. Gefascineerd door deze uitspraak bracht Van Rhoon Genneté in contact met het hoogheemraadschap. In enkele veelbelovende gesprekken met het bestuur gaf Genneté aan dat hij een hydraulische machine kon maken van twee of drie voeten breed, die het water uit een plas van vijftien tot zestien voeten diep kon opmalen en dat één machine evenveel kon opmalen als tien schepradmolens. Daarbij zou de machine slechts de helft kosten van zo’n molen. Aangezien in eerdere plannen meer dan 100 dure molens waren opgenomen, moet dit voor het bestuur een geweldige kans hebben geleken.
Op 27 januari 1751 vroeg het hoogheemraadschap daarom toestemming aan de Staten van Holland en West-Friesland om met Genneté in zee te gaan. Na goedkeuring door de Staten werd op 19 februari een overeenkomst tussen Rijnland en Genneté opgesteld. Hoewel het bestuur voldoende vertrouwen had in de kennis en ervaring van de waterbouwkundige, werd besloten om eerst een proefopstelling te plaatsen. De kosten voor het benodigde materiaal, de arbeidslonen en de huur van een geschikte locatie, die volgens het hoogheemraadschap neer zouden komen op grofweg 5.000 gulden, werden door de Staten betaald. Deze uitvinding zou immers voor heel Holland van belang kunnen zijn. Wanneer het project succesvol verliep, kon de uitvinder rekenen op een jaarlijks pensioen van 1.000 dukaten.

Tekening van de Pesthuispomp van Genneté, afkomstig uit de Dichtharpoen. Beschikbaar via de Universiteit van Utrecht.
De Pesthuispomp buiten Leiden
De hydraulische machine of zuigerpomp zou geplaatst worden in de vijver achter het Pesthuis. Kort na het opstellen van de overeenkomst ging Genneté aan de slag. Volgens een verslag dat achteraf is opgesteld door het Rijnlandse bestuur, liepen de werkzaamheden aan het begin al vertraging op door de moeizame levering van bouwmaterialen. Volgens Genneté kwam dit omdat verschillende houtkopers, timmerlieden en smeden expres geen materialen wilden leveren, omdat ze bang waren dat deze nieuwe vinding de vraag naar schepradmolens zou doen afnemen en ze daardoor minder inkomsten zouden hebben.
Desondanks werden de werkzaamheden voortgezet. Het bestuur verzocht meermaals om de machine te mogen bekijken, maar dit weigerde Genneté. Pas aan het eind van 1754 kwam het bericht dat de machine gereed was, maar dat in één van de pompen een lekkage was opgetreden. Dit moest verholpen worden voordat de machine getest kon worden. Niet alleen drong het bestuur er bij hem op aan deze lekkage zo spoedig mogelijk op te lossen, maar ook dat hij de machine moest afmaken.
Tot en met augustus 1756 werkte Genneté aan zijn hydraulische machine. In die maand vertrok de waterbouwkundige plotseling naar het buitenland. Of hij wellicht inzag dat de machine niet zou werken of dat het een vooropgezet plan is geweest, valt niet te achterhalen. Om het project toch af te kunnen ronden werd Barend Corts, een meester timmerman die Genneté had ondersteund in het bouwen van de machine, aangesteld om de werken verder uit te voeren. Meermaals verzocht het Rijnlandse bestuur schriftelijk aan Genneté om terug te keren en de Pesthuispomp af te maken, maar hierop ontving het geen antwoord. Uit brieven gericht aan Corts en de raadpensionaris van Holland, Pieter Steyn (ook hoogheemraad van Rijnland) bleek op den duur dat Genneté geen enkele intentie had om terug te keren naar Leiden. Corts kreeg uiteindelijk de opdracht om de machine, volgens de instructie en tekeningen van Genneté, af te maken.


Verschillende doorsneden van de zuigerpomp van Genneté (links A-2933 en rechts A-2917).
In 1760 werd het werk voltooid. Opnieuw werd Genneté verzocht om terug te keren naar Leiden, zodat de zuigerpomp getest kon worden. Helaas mocht het niet baten. Ook Corts wilde zich niet aan een proefneming wagen, het was immers niet zijn machine. Het Rijnlandse bestuur schreef een uitgebreid rapport aan de Staten van Holland en West-Friesland, waarin verslag werd gedaan van alle gebeurtenissen van de afgelopen jaren. Op verzoek van de Staten werden drie hoogleraren van de Leidse Universiteit, J. Lulofs, P. van Musschenbroek en J.N.S. Allemand, aangewezen om de machine te inspecteren. Alle drie concludeerden zij dat het vanaf het begin onmogelijk was geweest om de zuigerpomp in beweging te krijgen, laat staan om er water mee te kunnen oppompen. Ook konden zij geen manier bedenken hoe ze de machine nog aan de praat konden krijgen: hij was simpelweg onbruikbaar. Corts daarentegen had zijn werk keurig uitgevoerd zoals Genneté hem had opgedragen. Hem trof hier geen blaam.
De Staten namen deze conclusies over en gaven het hoogheemraadschap toestemming om de machine van Genneté te slopen. De gebruikte materialen mochten verkocht worden, om zo een gedeelte van de gemaakte kosten te kunnen dekken. Het bestuur nam een aannemer in dienst die de machine uit elkaar moest halen. Vervolgens werden de aparte onderdelen teruggegeven aan de oorspronkelijke leveranciers of publiek geveild en verkocht. Dit leverde een bedrag op van 3.150 gulden, 10 stuivers en 6 penningen.
Dit was echter een fractie van wat de machine uiteindelijk heeft gekost. In de overeenkomst tussen Rijnland en Genneté van 1751 was vastgelegd dat de kosten maximaal 5.000 gulden zouden bedragen. In 1762 leverde het bestuur aan de Staten een overzicht waarin de daadwerkelijke uitgaven waren vastgesteld: in totaal had men 30.602 gulden, 7 stuivers en 10 penningen aan de machine uitgegeven. Omgerekend naar de koopkracht van 2021, gaat het om een bedrag van ruim 300.000 euro.
Niet alleen op technologisch gebied kwam het hoogheemraadschap er slecht vanaf. Door de Staten werd het bestuur erop gewezen dat dit nooit zo uit de hand had mogen lopen. In toekomstige gevallen moesten de Staten op de hoogte worden gehouden wanneer het budget overschreden werd.

Aanbestedingsbiljet voor het demonteren van de hydraulische machine van Genneté, 1761. Afkomstig uit het Oud Archief Rijnland (1255-1857), 1.1.1/9467
Genneté, de beruchte waterwerktuigkunstenaar
Genneté is er in de Nederlandse geschiedenisboekjes niet fraai vanaf gekomen. In het Biographisch woordenboek der Nederlanden wordt de ‘eerste wiskunstenaar’ omschreven als een bedrieger. Petrus Loosjes Azn. stelt in het 23ste deel van de Vaderlandsche historie de waterbouwkundige als voorbeeld voor buitenlandse wetenschappers die, hoewel zij zo geleerd en belezen overkwamen, het simpele doel hadden om zich te verrijken ten koste van het Nederlandse volk.
Wellicht het meest indrukwekkende werk werd rond 1756 uitgegeven onder de titel Dichtharpoen voor den beruchten werktuijgkunstenaar Gennete en zijne befaamde pesthuijspomp, waarin een anonieme auteur ruim 40 pagina’s lang de bedrieglijkheid van Genneté beschrijft en bekritiseerd. Zo ging Claude Leopold de Genneté, waterwerktuigkunstenaar, de Nederlandse geschiedenis in:
Dichtharpoen voor den beruchten werktuijgkunstenaar Gennete en zijne befaamde pesthuijspomp
‘O Genneté, verwaande man;
Zo staat het ook met u te duchten
die jaaren tijds s’Lands nodig geld
ten moije van uw Dwaasheid steld
Daar zoo veel wijze lie[de]n om Zuchten.
O domme kracht; die met een kop
vol winds d’onwankelbare wetten
der werktuijgkunde wilt verzetten
hoe lang zal de opgeblaase krop
van uw verwaand en ijdel pogen
als Hermes fluit en taver-roe
in slaap ons wiegen trots te moe
En met ons, Rhijnlands Argus ogen?’
Bronnen
- 1.1.1/9467-9468: Stukken betreffende de hydraulische machine, uitgevonden door L. Genneté, 1751-1764.
- Dichtharpoen voor den beruchten werktuijgkunstenaar Gennete en zijne befaamde pesthuijspomp (Leiden, z.j.).
- T. Cocquyt, ‘Over woeste vuurpompen en wrijvingsloze werktuigen’ in: A. Maas & T. Cocquyt (red.), Verborgen krachten: Nederlanders op zoek naar energie (Hilversum 2011) 31-42.
- Petrus Loosjes Azn., Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, uit de geloofdwaardigste schryvers en egte gedenkstukken samengesteld, deel 23 (Amsterdam, 1789).
- Verzameling van extracten, met bijlagen, uit de Resoluties der Staten van Holland, betrekking hebbende op een door Leopold Genneté uitgevonden machine, tot droogmaking van plassen.