In 1852, dit jaar precies 170 jaar geleden, werd het Haarlemmermeer drooggelegd. Dat het meer toen pas is drooggelegd, is waarschijnlijk het gevolg geweest van het ontbreken van de benodigde technologie en het bestaan van tegenstrijdige belangen. Enerzijds vormde het meer een bedreiging voor de omgeving. Langs de randen vond veel oeverafslag plaats en verschillende dorpen waren al door de golven verzwolgen. Anderzijds zaten er ook voordelen aan het behoud van het Haarlemmermeer. Het was van economisch belang voor de visserij en de binnenvaart, waar steden als Leiden en Haarlem van profiteerden. Daarbij was het een belangrijke ‘bewaarplaats’ voor het overtollige boezemwater van Rijnland. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden was daarom in eerste instantie niet erg happig geweest om aan de droogmaking te beginnen: het zou immers de waterbergingscapaciteit met ongeveer 80% verminderen.
Desondanks werden er meerdere plannen bij het college ingediend om het gevaar van deze ‘waterwolf’ te temmen. Om deze plannen aantrekkelijker te maken, werden zij voorzien van allerlei soorten versieringen en teksten. Zo voegde Leeghwater aan een plan uit 1635 een pentekening van een watermolen, enkele spreuken en een lofdicht toe (zie ook kaart A-2804 in de Rijnlandse kaartencollectie). Zijn concurrent, Jacob Bartelszoon Veris, diende rond 1641 verschillende ontwerpen in, waarbij de begeleidende kaarten eveneens werden voorzien van randversieringen en verschillende verzen van I.R. Ingelius, Joost van den Vondel en Veris zelf (zie ook kaarten A-1170, A-1172 en A-1173).

Figuur 1. Provisioneel concept ontwerp ende voorslach dienende tot de bedyckinge vande groote water meeren, vervaardigd door Veris, met gedicht van Vondel, circa 1641.
‘De Liefde Vonck’
Het Rijnlandse college ontving niet alleen plannen van professionals. Ook amateurs lieten van zich horen. Een interessant voorbeeld is een plan dat in 1725 werd ingediend door Frederik Sloep. Over de persoon is weinig informatie te vinden, behalve dat hij een beeldhouwer was die zich in Hoorn vestigde.
Sloep richtte zich tot dijkgraaf en hoogheemraden en bood zijn diensten aan ‘om dit verziekende kwaad, dat vreselijk woedt om het hart van Hollands tuin, te breken.’ Het begrip ‘Hollands tuin’ werd tussen de 16de en 19de eeuw veelvuldig gebruikt: over het algemeen werd deze tuin weergegeven door middel van de Hollandse Maagd of Leeuw die omringd wordt door een omheining gemaakt van wilgentakken. Het stond symbool voor de veiligheid van niet alleen het graafschap Holland, maar van de gehele Republiek der Verenigde Nederlanden, zoals te zien is in het onderstaande voorbeeld uit het Rijksmuseum.

Figuur 2. Houdt op in mijn tuin te wroeten Spaanse varkens! Vervaardigd door een anonieme prentmaker, circa 1578-1582. (Rijksmuseum).
Voor Sloep was het Haarlemmermeer een gevaar dat de veiligheid van de Republiek van binnenuit aantastte. Hij bleek een groot voorstander te zijn van de droogmaking van het meer en schreef zijn bevindingen op in een traktaat, getiteld ‘de Liefde Vonck’. Wat het ontwerp precies inhield is onduidelijk, omdat het traktaat vermoedelijk niet is overgeleverd. De brieven die hij adresseerde aan het Rijnlandse college zijn wel bewaard gebleven, waardoor wij toch iets over zijn ideeën te weten komen.
Op 1 november 1725 verzond Sloep het traktaat. In de begeleidende brief maakt de auteur zijn beweegredenen kenbaar. Al een aantal jaar had Sloep zijn gedachten laten gaan over het Haarlemmermeer. Het had hem ‘vele malen in verwondering verrukt’ dat het meer niet al honderd jaar eerder was drooggelegd en tot ‘vruchtbaar land (was) gemaakt.’ Zodoende stelde hij zijn ideeën op in een ‘gering geschreven traktaatje, in een samenspraak van vier sprekende personen’. Omdat het college de ‘drukkende last op haar schouders droeg’ om de landerijen gelegen aan de oevers van het Haarlemmermeer te beschermen, voelde Sloep zich genoodzaakt om het traktaat aan dijkgraaf en hoogheemraden te richten: Rijnland was immers ‘de naast gelegene aan dit considerabele meer’. Daarbij benadrukte de auteur dat hij dit niet deed voor enig persoonlijk gewin:
“het is een tedere liefde, en ijver, die ik heb gehad in het opstellen van mijn gedachten, daarin niets anders beogende dan de welstand, van het lieve vaderland en ik ben van gedachte geweest, om dit kleine tekstje aan de edele vaderen des vaderlands op te dragen.”
Tot slot werden twee gedichten als bijlage toegevoegd aan het traktaat of aan de brieven. De eerste is getiteld ‘De Mens’ en vormt een lofdicht op de wonderen van het menselijk bestaan. Vermoedelijk stuurde Sloep dit gedicht mee om zijn bedrevenheid in de dichtkunst te laten zien.
Het tweede gedicht sluit meer aan bij het traktaat en heeft de pakkende titel ‘Op ’t beschouwen van de Haarlemmer Meer’. Kort samengevat, beschrijft Sloep hierin het gevaar van het meer en de mogelijkheden die de droogmaking kunnen bieden. Het meer wordt voorgesteld als een leeuw of een wolf die zijn tanden in de omliggende oevers zet. Naar het voorbeeld van de Beemster, moest het Haarlemmermeer worden omgevormd tot een paradijs. De droogmaking zou in alle gevallen een succes zijn. Dat de auteur er zo over dacht blijkt onder andere uit de onderstaande fragmenten:
‘Door het water van zijn kruin met molens te verdrijven,
En dan door ploeg en spade, ja ander tuig bereid
Te maken dat zijn rug, in Hollands tuin mag blijven,
Een lustplaats, daar de mens, zijn doffe geest verliest.’
‘Maar hier is zeker nut, en winst in te zien
Omdat in deze grond de edelste schat ligt verborgen
Ik meen voedsel en sieraad, wij moeten weerstand bieden
Aan het kwade, zijn verplicht om voor het goede te zorgen
En om in Hollands tuin, dit schadelijke meer,
Zo te maken dat zijn grond, glansrijk wordt voor het leven.’

Figuur 3. ‘Op ’t beschouwen van de Haarlemmer Meer’ van Frederik Sloep, 1725-1726.
Een gedoofde vlam
Wat is er uiteindelijk gebeurd met het traktaat van Sloep? Het werd vermoedelijk niet eens in behandeling genomen door dijkgraaf en hoogheemraden. De brieven uit 1726 bevatten voornamelijk klachten van de auteur dat hij nog geen antwoord heeft gekregen. Omdat hij het traktaat wilde laten afdrukken, verzocht hij keer op keer of het college zijn werk terug wilde sturen als het hier geen heil in zag. Helaas bleef een antwoord uit.
Desondanks hoopte Sloep dat deze ‘liefde vonk, maar een beetje mocht ontvonken tot nut van het boven genoemde’ en bleef hij in zijn brieven aansporen dat hij alles zou doen om een bijdrage te leveren aan de droogmaking van het Haarlemmermeer: ‘ik schroom gevaar noch dood. Maar zou met vreugde wroeten in het hart van Hollands tuin om dit verziekende kwaad eens tot een prieel van lust te zien, met raad en daad.’
Zoals eerder is vermeld, is de Liefde Vonck nergens meer terug te vinden. Men kan er van uitgaan dat het daarom nooit in druk is verschenen. Waarschijnlijk heeft Sloep het traktaat dus nooit teruggekregen. Op den duur is zijn ontwerp in de vergetelheid geraakt. Wat het plan van Sloep precies inhoudt blijft dus onduidelijk. Zijn gedichten vormen in ieder geval een prachtige ode aan (de droogmaking van) het Haarlemmermeer.
Bronnen
- Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden (NL-LdnHHR), Hoogheemraadschap van Rijnland (Oud Archief van Rijnland (OAR), 1255-1857), inventarisnummer 1.1.1/1609.
- Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden (NL-LdnHHR), Collectie 30, A-1167, A-1170, A-1172, A-1173 en A-2804.