Een ‘parlementair stekelvarkentje’: J.W.H. Rutgers van Rozenburg

10 december 2025
Header - PRT-0170

In 2026 is het 150 jaar geleden dat het Noordzeekanaal officieel werd geopend. Vlak daarvoor, op 12 december 2025, wordt in dat kader het boek Rond het Noordzeekanaal: waterbeheer aan weerszijden van het kanaal 1860-1880 gepresenteerd. Hierin gaan verschillende auteurs in op de aanleg van het Noordzeekanaal en de gevolgen daarvan voor enerzijds het hoogheemraadschap van Rijnland en anderzijds het hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland. In het boek komt onder andere naar voren hoe het project door Rijnland werd ervaren. Dat dit niet gemakkelijk ging blijkt wel uit onderzoek van Ludy Giebels: het gold als een bijna traumatische ervaring voor het hoogheemraadschap.

Jonkheer Jan Willem Hendrik Rutgers van Rozenburg

In deze editie van Uitgelicht wordt aandacht besteed aan een van de hoofdrolspelers ten tijde van de aanleg van het Noordzeekanaal. Iemand die veelvuldig wordt genoemd, maar niet echt aan bod komt. Een jonkheer die zich als grootgrondbezitter vestigde in de pas drooggelegde Haarlemmermeerpolder en achtereenvolgens lid was van de Tweede en Eerste Kamer. Daarnaast was hij als initiatiefnemer betrokken bij verschillende droogmakingsprojecten binnen het Rijnlandse beheergebied, zoals het Lutkemeer onder Sloten (1863) en de Oosteinderpoel onder Aalsmeer (1868). Hierdoor raakte deze jonkheer geregeld in conflict met Rijnland. Het verklaart wellicht waarom hij zich eerst als secretaris en later als directeur van de Amsterdamsche Kanaalmaatschappij (AKM) – verantwoordelijk voor de aanleg van het Noordzeekanaal – zo fel verzette tegen de kritiek van het hoogheemraadschap. Hij had met Rijnland namelijk nog een appeltje te schillen. Het gaat hier om jonkheer Jan Willem Hendrik Rutgers van Rozenburg (1830-1902).

Portret van Jan Willem Hendrik Rutgers van Rozenburg (1830-1902)

Een karakterschets

Als lid van de Tweede Kamer had Rutgers van Rozenburg een reputatie opgebouwd. Zijn karakter werd vooral getypeerd door het woord ‘scherp’. In het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek wordt een citaat aangehaald waarin Rutgers van Rozenburg omschreven wordt als ‘scherp, sarcastisch en altijd tot den aanval bereid, (…). Den voorzitter kostte het vaak moeite genoeg hem binnen de perken te houden’. Frans Netscher, auteur van In en om de Tweede Kamer. Parlementaire portretten en schetsen, kwam tot een vergelijkbare beschrijving: ‘Hij is hatelijk, sarkastiesch, en scherp als een parlementair stekelvarkentje, dat nergens aangepakt kan worden, en overal prikt’. Het Kamerlid was te typeren als een knaagdier, dat ‘zijne scherpe, korte tandjes in het lichaam van zijn slachtoffer [zet], en dan begint hij te knabbelen, te rukken, te scheuren, zoodat de vellen er bij hangen en het bloed eraf zijpelt.’ Daar hielden zijn vergelijkingen met het dierenrijk niet op: Netscher omschreef hem ook als een ‘woedend doghondje’ en een kat die zijn prooi even loslaat voordat hij opnieuw toeslaat. Ondanks zijn ironische en venijnige aanvallen, bezat Rutgers van Rozenburg bovenal een ‘scherpte van argumentatie, vasthoudendheid van wilskracht, en fijnheid van redeneering (…)’ die weinig mensen bij een eerste blik achter hem zouden zoeken.

Gezien de eerdere aanvaringen met Rutgers van Rozenburg moet de kwestie rondom de hoge waterstanden na de voltooiing van het Noordzeekanaal een hele geruststelling voor Rijnlands bestuur zijn geweest. Of misschien was het een vreemde gewaarwording. Want, anders dan het bestuur gewend was, keerde de jonkheer zich niet tegen het hoogheemraadschap. Hij vroeg juist om steun.

De kwestie van het Noordzeekanaal

Wat was er aan de hand? Over de bemaling van het Noordzeekanaal was lang gedoe geweest. Vanaf de concessieverlening in 1861 voerden verschillende waterschappen, waaronder Rijnland, strijd met de AKM en het Rijk over het toegestane peil in het kanaal. Volgens de concessie was de AKM verplicht om het Noordzeekanaal op een maximum van 0,50 m – Amsterdams Peil (AP) te houden, maar de waterschappen vreesden dat dit peil niet gehandhaafd kon worden met de ontworpen lozingsmiddelen. Aan beide kanten van het Noordzeekanaal waren uitwateringssluizen gepland. Daarnaast kwam in 1872 bij Schellingwoude een stoomgemaal met een vermogen van 250 pk gereed. De waterschappen kregen echter gelijk: het peil van 0,50 m – AP werd nauwelijks gehaald. Het schommelde voortdurend en kwam soms zelfs tot boven het AP, wat tot veel frustratie van de omliggende waterschappen leidde.

De klachten stroomden binnen bij het Rijk, dat sinds 1881 het beheer van het Noordzeekanaal had overgenomen. Verschillende IJpolders verzochten in 1883 en 1884 de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid tot het nemen van maatregelen tegen de hoge waterstanden. In 1895 werd ter vervanging van het bestaande gemaal een nieuw stoomgemaal bij Schellingwoude geplaatst. Met een vermogen van 325 pk hoopte het Rijk het kanaalpeil te beheersen, maar dat bleek al gauw een droombeeld te zijn. Tijdens een storm van 5 tot 9 december kwamen opnieuw zeer hoge waterstanden voor langs de dijken van de IJpolders. Op het hoogste punt werd een peil van 0,20 m + AP bereikt. Het bestuur van de Houtrakpolder nam in februari 1896 contact op met de minister. In de brief constateerde het dat het verplichte peil van 0,50 m – AP nog altijd niet werd bereikt. Sterker nog, het kanaalpeil steeg geregeld tot boven het AP. Daarnaast beschikte het nieuwe stoomgemaal alsnog niet over genoeg vermogen om het kanaal op peil te houden. Volgens berekeningen van ingenieur J.F.W. Conrad uit 1877 was ten minste een vermogen van 690 pk nodig. In de tussentijd was de situatie er alleen maar slechter op geworden, ‘doordat Rijnland zijn stoomgemalen te Halfweg en te Spaarndam zoo beduidend heeft vergroot, dat het in een gegeven tijd veel meer water op het Noordzeekanaal brengt dan vroeger’.

Schutsluis tussen Noordzeekanaal en het IJ (erfgoed)

Foto van de schutsluis tussen het Noordzeekanaal en het IJ bij Schellingwoude met het stoomgemaal naast de Oranjesluizen. Beschikbaar via het archief van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (NL-AsdWAGV_020138).

Het bestuur van de Houtrakpolder werd bijgestaan door de Zuidwijkermeerpolder, de Zuid- en Noord-Spaarndammerpolder en de Grote IJpolder, die soortgelijke klachten indienden. Op verzoek van de Tweede Kamer stelde de minister een nota van inlichtingen op. Hierin schreef hij dat, zolang de IJpolders hun dijken maar op een hoogte van 1,00 m + AP hielden, er niks te vrezen viel. De hoge waterstanden van december 1895 waren volgens hem grotendeels toe te schrijven aan ‘het ongestoord op het Noordzeekanaal malen van de stoomgemalen van Rijnland te Halfweg en te Spaarndam’. De minister concludeerde dat in normale omstandigheden de bestaande lozingsmiddelen ruim voldoende waren om het kanaal op een peil schommelend tussen de 0,50 en 0,30 m – AP te houden. In zijn ogen kon een kostbare uitbreiding van het stoomvermogen bij Schellingwoude uitblijven. Dit soort uitzonderlijke situaties kwam maar heel af en toe voor en ze waren daarnaast van korte duur. Een paar dagen van hoge waterstanden stelden weinig voor op de rest van het jaar waarin een toestand werd waargenomen die ‘voor alle partijen bevredigend is te noemen’. Om de klachten van de IJpolders te onderzoeken, stelde de Tweede Kamer op 22 december 1896 een commissie aan die zich over de ministeriële nota moest buigen. Als commissieleden werden de eerdergenoemde J.F.W. Conrad, C. Lely, Th.L.M.H. Borret, G.B. ’t Hooft en J.W.H. Rutgers van Rozenburg aangewezen, waarbij laatstgenoemde als commissievoorzitter optrad.

Hulp van Rijnland?

Op 4 januari 1897 schreef het Kamerlid aan Rijnlands dijkgraaf E. de Vries dat hij zich in een lastige situatie bevond. Rutgers van Rozenburg was van mening dat het Rijk meer maatregelen moest nemen om hoge waterstanden in het Noordzeekanaal te voorkomen. Hier stond hij blijkbaar alleen in: Conrad en Lely vonden dat het Rijk al aan zijn verplichtingen voldeed, terwijl de landbouwer ’t Hooft en notaris Borret, ‘die van de materie, of de techniek van polderbemaling niets afweten’, zich hoogstwaarschijnlijk bij de deskundigen zouden aansluiten. In deze omstandigheden achtte Rutgers van Rozenburg het wenselijk als ‘meer gezaghebbenden’ dan het bestuur van de Houtrakpolder zich in het gesprek mengden. Omdat de minister Rijnland specifiek als boosdoener had aangewezen, leek het hoogheemraadschap hem daarvoor zeer geschikt. In de brief ging het Kamerlid in op de (volgens hem) lachwekkende beweringen van de minister over de Rijnlandse bemaling. Hij was zich er ook van bewust dat Rijnland zich sinds de bouw van boezemgemaal Katwijk in 1880 minder bezighield met het Noordzeekanaal:

‘Ik weet wel, dat Rijnland op eigen kosten zijn lozing en bemaling zoo goed geregeld heeft dat het van de te hooge waterstanden op het Noordzeekanaal geen directe schade lijdt; maar het kan toch Rijnland niet geheel onverschillig zijn, aldus zijn goed recht te hooren betwisten of in twijfel trekken of valsche voorstellingen te hooren geven in verband met Rijnlands beleid’.

Zodoende vroeg Rutgers van Rozenburg de dijkgraaf de nota van inlichtingen ‘eens tot een punt van overweging’ te maken. Mocht het bestuur besluiten om zich in de discussie te mengen, dan raadde Rutgers van Rozenburg aan Rijnlands standpunten kenbaar te maken door een gedrukt adres aan alle leden van de Tweede Kamer te sturen.

Foto van het bestuur met enkele hoge ambtenaren in de Kleine of Blauwe Zaal van het gemeenlandshuis in Leiden. Dijkgraaf E. de Vries zit in het midden. A.J. van der Stok, 1896. Beschikbaar via het archief van het hoogheemraadschap van Rijnland (FOTO-001076).

Helaas leverde zijn oproep niets op. Dijkgraaf De Vries liet Rutgers van Rozenburg kort daarop weten dat Rijnland niet op zijn verzoek inging. Het hoogheemraadschap had de minister tijdens de aanleg van het Noordzeekanaal gewaarschuwd dat het verplichte peil van 0,50 m – AP niet te handhaven viel. Dijkgraaf en hoogheemraden vonden het daarom niet wenselijk dat Rijnland ruim 20 jaar later alsnog terug zou komen op de kwestie, zeker als daar geen directe aanleiding voor bestond. Het college ontkende niet dat de beweringen van de minister onjuist en zeker niet flatterend voor het hoogheemraadschap waren, maar het lag niet in de bedoeling van Rijnland om de Tweede Kamer ongevraagd van toelichtingen te voorzien. Op persoonlijke noot gaf de dijkgraaf aan dat hij achter dit besluit stond, omdat hij vertrouwde dat ‘de verdediging van het goed recht der bij het IJkanaal betrokken waterschappen (…)’ bij Rutgers van Rozenburg in goede handen was.

Een kwartier onder water…

Dat Rutgers van Rozenburg zijn reputatie eer aandeed en inderdaad de waterschapsbelangen fel zou verdedigen, blijkt wel uit de behandeling van het verslag van de commissie op 8 april 1897. Inmiddels was de kwestie een stuk ingewikkelder geworden, omdat ook het hoogheemraadschap Amstelland en de Vereenigde Nauernasche-, Westzaner- en Zaandammerpolders zich erover uitlieten. Of Amstelland reageerde op een verzoek van Rutgers van Rozenburg is niet helemaal duidelijk. Daarentegen trad het Kamerlid ook op als voorzitter van de Vereenigde Nauernasche-, Westzaner- en Zaandammerpolders en had hij hier vermoedelijk een handje in gehad.

Afb. 4 - B-1873 fragment

Fragment uit de ‘Polderkaart van de landen tusschen Maas en IJ’ met het Noordzeekanaal en de omliggende IJpolders. W.H. Hoekwater, 1905. Beschikbaar via het archief van het hoogheemraadschap van Rijnland (B-1873).

Terwijl de Houtrakpolder vooral de nadruk legde op mogelijke dijkdoorbraken als gevolg van de hoge waterstanden, gaven de andere waterschappen aan dat het problemen opleverde voor de afwatering op het kanaal. De beweringen van de minister dat dergelijke situaties tot de zeldzaamheden behoorden en dat over het algemeen een gunstige toestand werd bereikt, werden door de commissie tegengesproken. Ook in buitengewone omstandigheden moesten de IJpolders tegen dijkdoorbraken en wateroverlast beschermd worden. Daarnaast had het Rijk de verplichting op zich genomen om het kanaalpeil te handhaven, waardoor de afwatering van de omliggende waterschappen gegarandeerd werd. In dit geval kon de schuld niet in Rijnlands schoenen geschoven worden: Rijnland was ‘zonder twijfel bevoegd’ om ook bij hoge waterstanden op het Noordzeekanaal te lozen. Het waterbezwaar dat deze lozing opleverde bood juist aanleiding voor de vraag of de lozingsmiddelen op het Noordzeekanaal wel voldeden. De commissie adviseerde de minister om te laten onderzoeken of er middelen aangewend dienden te worden om de waterkeringen langs en de waterlozing op het Noordzeekanaal te beschermen.

Ondanks de kritiek had de commissie, zoals Rutgers van Rozenburg vreesde, niet aangedrongen op het daadwerkelijk nemen van maatregelen. Een meerderheid van de commissie, namelijk Conrad, Lely en Borret, stelden voor om een onderzoek te laten uitvoeren naar de bestaande mogelijkheden. Ook de minister had deze conclusie zodanig overgenomen. Rutgers van Rozenburg zag zich tijdens de bespreking verplicht om namens de minderheid (waar hij ook ’t Hooft toe rekende) een verklaring af te leggen. Het Kamerlid ging uitvoerig in op de beweringen die door de minister waren gedaan in de nota van inlichtingen. Vooral de opmerkingen dat de stremming van de bemaling bij Schellingwoude en de gevaarlijke stijging van het kanaalpeil maar van betrekkelijk korte duur waren leverden een vurig pleidooi van Rutgers van Rozenburg op. Een stijging van bijna drie etmalen, zoals plaatsvond in december 1895, was volgens hem lang genoeg om de polderkaden, ‘die daarop niet berekend zijn of te maken zijn, te doen doorbreken en groote rampen teweeg te brengen’. Hierop maakte Rutgers van Rozenburg een ‘hilariteit-verwekkende’ vergelijking die zelfs de voorpagina van Het Nieuws van den Dag haalde:

Wat zou de Minister er van zeggen, als wij hem eens een kwartier onder water hielden, daarbij redeneerende dat een kwartiertje op een menschen leeftijd toch eigenlijk niets beteekent? Ik geloof dat de Minister, na die indompeling weder opgehaald, wel niet volhouden zou dat hem dat kwartiertje kort geleken had
- Rutgers van Rozenburg

Zijn voorstel, om een staatscommissie in te stellen die zich onder andere bezig zou houden met het uitbreiden van het stoomvermogen bij Schellingwoude, werd niet door de Tweede Kamer aangenomen. In een briefje aan dijkgraaf De Vries klaagde Rutgers van Rozenburg dat zijn mede-commissieleden – met name Conrad en Lely – zich tegen hem hadden gekeerd. Hij had misschien niet het gewenste resultaat bereikt, maar in ieder geval had een meerderheid van de Kamer door in te stemmen met het verslag erkend dat het huidige gemaal te zwak was.

Bronnen