Het hoogheemraadschap van Rijnland en de stad Leiden zijn al eeuwen lang met elkaar verbonden. Dit werd onder andere bevestigd door de aankoop van het Gemeenlandshuis in 1578. Het hield echter niet in dat de besturen van Rijnland en Leiden altijd op goede voet stonden. Aan het eind van de 16de eeuw was de relatie zelfs zeer gespannen, waarbij de Staten van Holland op den duur werden gevraagd om in te grijpen.
Waarom liep het zo uit de hand? Hier zijn meerdere redenen voor te noemen. Zo verkeerde Leiden in deze periode in een benarde financiële positie. Door de Allerheiligenvloed van 1570 en het Beleg van Leiden was het platteland gelegen rondom de stad verarmd: boeren en grootgrondbezitters kregen minder opbrengsten uit hun land, terwijl belastingen, waaronder de grondbelasting, door de oorlog juist stegen. Leiden was afhankelijk van deze opbrengsten, want hiermee werden de belastingen betaald die door de Staten van Holland werden geheven.
De stijging van het Rijnlandse morgengeld was daarom een doorn in het oog van het stadsbestuur. Dit was een belasting die door Rijnland per ambacht werd geheven, op basis van de oppervlakte van dit ambacht, waarmee regionale waterstaatswerken werden onderhouden. Tijdens de 16de eeuw was de heffing gestegen omdat Rijnland de gehele Spaarndammerdijk zelf ging onderhouden, terwijl deze daarvoor werd onderhouden door de personen die land hadden dat aan de dijk grensde. Het stadsbestuur van Leiden, dat in verschillende ambachten optrad als ambachtsheer en dus verantwoordelijk was voor de inning van het morgengeld, maakte hierop bezwaar. Rijnland zou niet genoeg rekening houden met de omstandigheden waarin de plattelandsbevolking zich bevond.
Daarnaast uitte het stadsbestuur over een aantal andere zaken haar onvrede. In het boek van Milja van Tielhof en Petra J.E.M. van Dam worden enkele zaken genoemd. Zo zou het college van dijkgraaf en hoogheemraden te weinig controle uitoefenen op het slagturven in Rijnland, terwijl het juist teveel eisen stelde aan het klei delven langs de Rijn. De hoogheemraden declareerden teveel onkosten (bijvoorbeeld reiskosten) die uiteindelijk betaald moesten worden door de ingelanden. Ook legden de hoogheemraden willekeurig te hoge boetes op, was het niet duidelijk wat er precies in de Rijnlandse keuren stond en heerste de vraag welke personen of instanties er een stem konden uitbrengen in het college van hoofdingelanden.
Misschien het belangrijkste probleem was de kwestie van het waterbeheer in Leiden. Rijnland eigende zich het toezicht op de boezemwateren en wegen binnen de stad toe, terwijl het stadsbestuur van mening was dat dit viel onder de ‘stadsvrijheid’.

Afbeelding 1: Lugdunum Batavorum, 1675 (kaart A-1709).
Tot slot speelden persoonlijke relaties ook een belangrijke rol: burgemeester Pieter van der Werf en stadssecretaris Jan van Hout konden hoogheemraad Paulus Buys niet uitstaan. Terwijl Van Hout ook problemen had met de Rijnlandse secretaris, Dirk van Egmond.
Dit alles leidde ertoe dat er tussen 1588 en 1591 verschillende zaken door rechtbanken behandeld moesten worden. Denk hierbij aan zaken over het Rijnlandse toezicht op het slagturven of zelfs over het onderhoud van een voetpad van Leiden naar Zoeterwoude. De eerder genoemde heren beschuldigden elkaar ook van smaad en aantasting van de beroepseer.
In 1591 waren de zaken zo geëscaleerd dat er een impasse was bereikt en de Staten van Holland erbij betrokken werden. Zij stelden een pauze voor van enkele jaren. Dit bleek de oplossing te zijn, voornamelijk omdat enkele van de tegenstanders (waaronder Paulus Buys) kwamen te overlijden. In 1595 kwamen Rijnland en Leiden eindelijk tot een akkoord. Naast tal van andere zaken werd hierin vastgelegd:
‘Dat Dijcgrave ende hooge heemraden zullen abstineren van eenige jurisdictie t exerceren binnen de stadt Leyden, op de chingelen, ende vordere vryheyt van dien, zo die nu ter tijt zijn, ofte in toecomenden tijden zullen mogen werden vergroot, t zy aen de sluysen, heulen, bruggen, straten, platen, den loop vande Rijnen ofte andere wateren ende graften, water-gaten, mitte hecken ofte schot-deuren van dien, palissaden, water-boomen, ende alles anders binnen der voorschreven stadts-graften, cingelen, ende cingel-graften van dien leggende; maer daer mede zullen laten bewerden de Burgermeesters ende Regeerders vande Stadt.’

Afbeelding 2: Gedrukt fragment van het 31-jarig akkoord, 1595 (1.1.1/11476).
Het kwam er op neer dat het stadsbestuur van Leiden verantwoordelijk zou zijn voor de waterhuishouding binnen de stad, zolang dit geen nadelige gevolgen voor de ingelanden van Rijnland zou hebben. Mocht het onderhoud niet goed worden uitgevoerd, dan kon het stadsbestuur aangeklaagd worden door de Rijnlandse dijkgraaf.
Dit verdrag was voor 31 jaar geldig en zou na deze termijn worden vernieuwd. Het kreeg zodoende de passende naam het 31-jarig akkoord. De vernieuwing van dit akkoord ging met veel ceremonie gepaard: de dijkgraaf en hoogheemraden trokken naar het stadhuis om het akkoord te bekrachtigen en ’s avonds werd het stadsbestuur uitgenodigd voor een vriendschappelijke maaltijd in het Gemeenlandshuis.
Hoewel de relatie tussen Rijnland en Leiden daarna nog meerdere keren op de proef is gesteld, heeft het 31-jarig akkoord de relatie altijd in stand weten te houden. Pas in 1844 werd besloten om het akkoord niet meer te verlengen, omdat het niet meer van die tijd was.
Bronnen
- Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden (NL-LdnHHR), Hoogheemraadschap van Rijnland (Oud Archief Rijnland (OAR), 1255-1857), inventarisnummer 1.1.1/11476.
- M.H.V. van Amstel-Horák, ‘Het akkoord van 1595 van het hoogheemraadschap van Rijnland’, Holland, regionaal-historisch tijdschrift 28 (1996) 117-138.
- Milja van Tielhof en Petra J.E.M. van Dam, Waterstaat in stedenland (Utrecht 2006) 154-159.