Voor een waterbeheerder als Rijnland zijn gegevens over neerslag, wind en waterstanden onmisbaar. De vroegste meteorologische waarnemingen binnen het gebied dateren al uit 1733 en werden verricht in Spaarndam. Ook in Bilderdam aan de Drecht, Oude Wetering en Gouda deed Rijnland dagelijks metingen. De meest uitgebreide waarnemingen vonden plaats in Halfweg. Tot in de jaren 1850–1860 hielden opzichters van Huis Zwanenburg barometerstanden, kracht en richting van de wind en andere weerkundige gegevens bij in “Observatieboeken”.
In Oude Wetering begint men met de dagelijkse waarnemingen van de hoogte van het boezemwater en de windrichting in 1814. Door ingrijpende veranderingen in het landschap – zoals de droogmaking van het Haarlemmermeer, de aanleg van het Noordzeekanaal en de gedeeltelijke inpoldering van het IJ – verloor het gemeenlandshuis in Halfweg zijn strategische functie. Bovendien bleek Halfweg geen geschikte locatie meer om nauwkeurige metingen te verrichten, omdat het boezempeil er moeilijk was vast te stellen (door de aanwezigheid van de sluizen was er sprake van een sterk fluctuerende waterstand).
Het college besloot daarom een nieuw en modern observatorium te bouwen in Oude Wetering. Deze plek lag centraal in het gebied en kende weinig opwaaiing (stijging van het waterpeil als gevolg van de wind), waardoor hier een ‘neutraal’ waterpeil kon worden vastgesteld. De hoofdonderwijzer Los uit Nieuwe Wetering werd in 1873 aangesteld als waarnemer, omdat hij bekend was met de omgeving. Hij werd drie maanden lang onderwezen in het bedienen van de telegraaf.
Voor de inrichting en de instrumenten in het observatorium werd advies ingewonnen bij C. Buys Ballot, directeur van het in 1854 opgerichte KNMI. Er werd onder meer gebruikgemaakt van een lysimeter, een apparaat dat verdamping meet via een ingegraven bak beteelde aarde die periodiek wordt gewogen.
Van bode naar telegraaf en telefoon
In de eerste jaren verliep de communicatie traag. Steeg het boezempeil te veel, dan stuurde de waarnemer een bode of brief naar Leiden. Het aanstoken van de ketels van de stoomgemalen duurde bovendien ruim twee uur, waardoor snelle actie vaak onmogelijk was. Om dit te verbeteren werd in 1873 een Rijnlandse telegraaflijn aangelegd tussen Oude Wetering en het rijkstelegraafkantoor in Alphen. Later volgden extra lijnen naar Roelofarendsveen (1884) en een telefoonverbinding in 1902.
In de jaren zeventig komt er een zelfschrijvende regenmeter, die is verbonden met een permanente telefoonlijn met het hoofdkantoor van het Hoogheemraadschap. Zo is op elk moment van de dag exact bekend hoeveel regenwater er valt. De stand van Rijnlands boezem kan worden gehandhaafd op precies 60 – NAP. Dat is van vitaal belang voor een betrouwbare grondwaterstand waarvan tuinbouw, akkerbouw en veeteelt afhankelijk zijn. Ook voor scheepvaart en industrie is een vaste waterstand een noodzakelijk uitgangspunt. Het peil wordt niet alleen gehandhaafd door afvoer van overtollig water, maar ook door aanvoer van vers water. Zonder deze aanvoer zou het peil vooral gedurende de zomermaanden als gevolg van verdamping en watergebruik te laag kunnen worden. De oorspronkelijke melder bestaat nog steeds als hulpmiddel.
Andere gebruikers van het observatorium
In 1952/1953 zijn er door Defensie vergaande plannen gemaakt om het bouwsel in te richten tot observatiepost voor de luchtmacht. Dat betekende voor Rijnland wel dat bij oefeningen en oorlogsdreiging het gebouw niet meer voor waarnemingen kon worden gebruikt. Defensie zag uiteindelijk van de plannen af. De toren van het observatorium werd wel tijdelijk eens gebruikt voor oefeningen van de luchtmacht, volgens een notitie uit 1958 van de secretaris van Rijnland.
Afbeelding 4: Notitie van de secretaris over het gebruik van de toren van het observatorium door de Luchtmacht (1.1.2/862).
Van 1946 tot 1980 fungeerde het observatorium ook als officieel KNMI-weerstation. In 1941 werden nog nieuwe lysimeters geplaatst, nadat in 1940 geld was vrijgemaakt voor herstelwerkzaamheden aan het gebouw. Om de betrouwbaarheid van de metingen te garanderen werd met andere nationale diensten gecorrespondeerd om de gegevens te onderbouwen.


Afbeelding 5 en 6: Correspondentie met de directeur van de Landmeetkundige Dienst over de betrouwbaarheid van de waterpassing (een nauwkeurige landmeetkundige methode om hoogteverschillen tussen punten te bepalen, vaak ten opzichte van het NAP) met kaart (1.1.2/4240).
Op weg naar automatisering
Vanaf 1986 werd het observatorium voorzien van moderne apparatuur die metingen van boezemstand, neerslag, temperatuur, windsnelheid en windrichting automatisch registreerde en via een eigen telefoonlijn doorstuurde naar Leiden. De gegevens werden daar opgeslagen en in grafieken zichtbaar gemaakt. De boezembeheerder beschikte bovendien over een draagbare computer met printer.
Rol binnen het waterbeheer
De weermetingen waren cruciaal voor Rijnland, vooral omdat de boezem rond 1870 aanzienlijk was verkleind door droogmakerijen zoals het Haarlemmermeer en de Oosteinderpoel. Hierdoor nam de capaciteit af en ontstonden problemen bij het afvoeren van overtollig polderwater. Een commissie van deskundigen concludeerde in 1868 dat betere meteorologische gegevens noodzakelijk waren om het waterbeheer te verbeteren en overstromingsrisico’s te beperken. Zo weerspiegelt de geschiedenis van het observatorium niet alleen de ontwikkeling van de meteorologie, maar ook Rijnlands voortdurende strijd tegen het water.
Het observatorium bleef tot 1991 in gebruik bij Rijnland. Daarna werd het buiten functie gesteld. Halverwege de twintigste eeuw kreeg het gebouw een grondige modernisering, waardoor het uiterlijk veranderde.
Bronnen
- NL-LdnHHR, Hoogheemraadschap van Rijnland (1858-1958), inv.nr. 1.1.2/862, Nota van de secretaris over de tijdelijke ingebruik-geving van de toren van het observatorium te Oude Wetering voor oefeningen van de luchtwacht, 1954
- Giebels, Lucy, Zeven eeuwen Rijnlandse uitwatering Spaarndam in Spaarndam en Halfweg, Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden, 1994, p. 152-155
- Sloof, Jan, Het observatorium, de Rijnlander, personeelsblad van het Hoogheemraadschap van Rijnland, 3e jaargang nr. 10, Leiden, 1986, p. 2-6
- Giebels, Lucy, Hollands Water: het Hoogheemraadschap van Rijnland na 1857 (Utrecht 2002) 173-174
- Tielhof, Milja van & Dam, Petra van, Waterstaat in stedenland (Utrecht 2006).