Wapenen der wel Dyckgraven & Hoogheemraden, Secretarissen

Polderen bij de sluis

Door: Karin Liefting

De publicatie ‘Palingtrek, trammelant & Rijnlands trots’ [1] is ter ere van het 20 jarig jubileum van de vismigratie in Nederland uitgebracht. Hierin komt de geschiedenis van de vangst op aal rond Halfweg en Spaarndam uitgebreid aan bod. Paling gedijde immers goed in de troebele veenwateren van Rijnland, waardoor er een bloeiende palingvisserij in het gebied ontstond. Het leidde ook tot de aanleg van de eerste vismigratievoorziening: het lekgat in de sluisdeur bij Spaarndam.

Afbeelding bovenin: Detail uit het wapen van Rijnland bovenaan een wapenblad met familiewapens van dijkgraven, hoogbaljuws, hoogheemraden, rentmeesters en secretarissen van Rijnland. De vrouw draagt een kroon en een drietand, voor haar voeten liggen vissen en ze zit op een sluisje waarvan de deuren half open staan, z.j. [achttiende eeuw] (HHR, PRT-0202).

De omvangrijke palingvisserij rond Halfweg en Spaarndam stond aan de basis van een turbulente periode in het begin van de zestiende eeuw. De belangen van het hoogheemraadschap, de sluisvissers en de omwonende boeren botsten op elkaar. Vissers hadden belang bij een vrije doorgang van de vissen, waarvoor het noodzakelijk was om de sluizen open te zetten. Daarentegen hadden vooral de boeren wonende in de ambachten langs de Spaarndammerdijk last van openstaande grote sluizen en bijgevolg hoge waterstanden op de boezem. Met name de boeren met niet-omkade akkers ondervonden de meeste schade als de sluizen openstonden en het zoute water van het IJ naar binnen stroomde.

De gemoederen raakten zo verhit dat de boeren het visgerei van de sluisvissers vernielden. De vissers op hun beurt probeerden meermalen de sluizen kapot te maken om zo meer vis te kunnen vangen[2]. Rijnland moest als beheerder van de sluizen de belangen van het waterbeheer en de economische situatie van de vissers steeds tegen elkaar afwegen. In 1518 werd er door de commissarissen van Karel V, Rooms-Duitse keizer en heer der Nederlanden een oplossing gevonden waarover men met alle betrokkenen ‘consent’ had bereikt[3]. Er werd besloten dat het toezicht op de sluisvisserij werd overgedragen aan de hoogheemraden van Rijnland. De vissers werden voortaan door de hoogheemraden ingehuurd en hadden geen direct belang meer bij een zo groot mogelijke vangst. Het draagvlak voor de regels werd vergroot door verbeteringen aan de Spaarndammerdijk. Versterking van de slappe veendijk bij Halfweg was in het belang van alle omwonenden.

De ordonnantie kwam verder met een oplossing voor de sluisvisserij zonder dat dit ten koste ging van het waterbeheer; men maakte een lekgat van 16 bij 16 centimeter in één van de deuren van de Westsluis te Halfweg. Dit lekgat kan gezien worden als de eerste vispassage in het gebied van Rijnland. Door de aanwezigheid van het lekgat was het vernielen en openzetten van de sluisdeuren voor de visserij voortaan overbodig.

tekening sluis

Afbeelding: Sluisdeur met lekgat. De Westsluis te Halfweg. Pentekening op perkament door Cornelis Velsen, 1725-1727 (HHR, Collectie kaarten, A-4804).

Onderzoek visstand

Over de eeuwen heen dienen de vispassages nog steeds om de aaltrek te bevorderen, maar nu met andere bedoelingen. De openingen in de sluizen en boezemgemalen worden tegenwoordig gebruikt om vissen veilig doorgang te bieden én om te bekijken hoe het met de visstand is gesteld. Dit onderzoek vindt vooral plaats in de periode maart tot mei als de jonge glasalen de zee verlaten en het zoete water intrekken. Het tijdstip is afhankelijk van de watertemperatuur. Tijdens zachte winters verschijnen de eerste glasalen al in december voor de Nederlandse kust. Vissen zwemmen van zout naar zoet water en andersom, om te paaien of om te overwinteren. Gemalen, dammen en sluizen zijn voor hen moeilijk passeerbare obstakels.

In het kader van “Ruim baan voor vis” heeft Rijkswaterstaat -in samenwerking met hoogheemraadschap Rijnland- de afgelopen jaren vispassages aangelegd bij de boezemgemalen Spaarndam en Halfweg. Een lokstroom van zoet water loopt via de gemalen van het Groene Hart het Noordzeekanaal in. Dat trekt bijvoorbeeld glasalen aan. Tijdens de onderzoeksperiode wordt bij de gemalen een gedeelte van de vissen gevangen, en de glasalen worden naar een laboratorium in IJmuiden gebracht. Daar worden de dieren onder verdoving, met een kleur gemerkt (een zogenaamde VIE-tag of Visible Implant Elastomer). Vervolgens worden ze weer aan de andere kant van de het gemaal in zoet water uitgezet. Op deze manier kan worden gemonitord hoeveel vis er binnentrekt en hoe de verspreiding van de dieren verder verloopt.

closeup glasalen

Gevangen glasaal bij de vispassage in Halfweg. De glasaal wordt met kleur gemerkt in een laboratorium en aan de andere kant van het gemaal weer uitgezet.

Glasaal tellen

Bronnen, noten en/of referenties

  1. P.J.E.M. van Dam, Palingtrek, trammelant en Rijnlands trots. De geschiedenis, een overzicht en de dagelijkse praktijk (2020)
  2. P.J.E.M. van Dam, Vissen in Veenmeren. De sluisvisserij op aal tussen Haarlem en Amsterdam en de ecologische transformatie in Rijnland 1440-1530, uitgeverij Verloren b.v. (Hilversum, 1998)
  3. M. van Tielhof & P. van Dam, Waterstaat in stedenland. Het hoogheemraadschap van Rijnland voor 1857 (Utrecht, 2006) vanaf pagina 111, 115-119