De herkomst van Rijnlandse poldernamen

3 maart 2025
Header Piestpolders_Vincent van Zeijst Foto: Piestpolder (foto van Vincent van Zeijl)

In geen enkel land zijn zoveel polders als in Nederland. Deze bedijkte stukken land liggen in de regel langs de rivieren, in de kust- en deltagebieden. Het woord polder is afgeleid van het Oudnederlandse woord ‘polra’ dat "verhoging van aangeslibd land" betekent en verwant is met woorden als '(uit)puilen' en 'poel'. Dit artikel gaat over de herkomst van de intrigerende namen die enkele Rijnlandse polders kregen: Boe, Piest, Morsebel, Bonte Kriel en poldereiland Faljeril.

Poldernamen zijn vaak afgeleid van de namen voor akkers, molens of aangrenzend water. In vroegere tijden hadden boeren veel mensen in dienst om het land te bewerken. De boeren stuurden deze arbeiders elke morgen naar verschillende akkers. Door de ontpoldering en door vererving lagen de eigendommen, zeker in de oudere polders, vaak ver uiteen in diverse polders. Om de werkmannen de juiste weg te wijzen kregen akkers en polders namen. De namen zijn afkomstig van bijvoorbeeld de perceelsvorm, de oppervlakte, de (hoogte-) ligging, de grondslag, de omgeving of de molen die het land droogmaalde.

Ook in Rijnland was de behoefte aan onderscheidende benamingen voor de polders aanvankelijk alleen binnen de dorps- of ambachtsgemeenschap. Vandaar de vele naamsaanduidingen met vernoemingen naar windstreken en dergelijke die binnen de lokale gemeenschappen wel bekend waren, maar die bij gebruik in ruimere kring verduidelijkingen nodig hadden. In de oude namen zijn soms dorpsplagerijen te herkennen, zoals bijvoorbeeld Polder Morsebel.

Polder Morsebel

De vroegere Overpoelsepolder werd in 1657 doorsneden door de Haarlemmertrekvaart. In de polder werd langs de trekvaart overhaast een poldermolen gebouwd, die aan kwaliteit nogal te wensen overliet. Hij had een morsend scheprad en lekte zo meer water dan gebruikelijk was. Aan de ene kant van de vaart ontstond de Voorhofpolder en aan de andere kant een polder die Klein Profijt werd genoemd. Pas sinds het begin van de 19e eeuw wordt voor deze polder de spotnaam Morsebel gebruikt.

De opkomst van de naam Morsebel was te danken aan het populaire kinderboek dat toen verscheen: Kaatje was een morsebel, –– Honderdmaal zei moeder wel: “Kind, hou toch je jurkje net! Mors niet zoo op je servet!’’ Maar dat alles hielp geen ziertje –– Kaatje bleef een morsig diertje.

Piestpolder

In 1593 werd het poldertje “op de Piest” gesticht. Piest was wellicht een variant van biest: “laaggelegen landen, waar biezen groeien". Lange tijd heeft het poldertje als Piespolder bekend gestaan totdat in 1949 deze 'onfatsoenlijke' naam hersteld werd in de oude benaming.

Mottigerpolder

De eerste stichting van deze polder bij Sassenheim was in 1628 maar pas in 1839 kreeg de polder een reglement. Waar komt de naam vandaan? We weten het niet. Na het graven van de Haarlemmertrekvaart (1657) werd de polder verkleind en er zijn geen oude administratiestukken gevonden.

Een 'motte' was in het oud Nederlands een zeug en men sprak in dat verband dan ook van 'mottegat'. Lag de polder als het ware in een natte kuil? 'Mot' was ook molm van turf. Was de grond in de zomer droog of rul? 'Motte' betekende ook een ophoging, een aardheuvel waarop een verdedigingstoren of kasteel stond. Dat zou Teylingen dan kunnen zijn. Maar het is ook aannemelijk dat een periode waarin de poldermolen slecht werd onderhouden en er 'mottig' uitzag aanleiding was voor de ongunstige benaming.

Luizenmarktpolder

Deze polder werd in 1655 gesticht. Op een lijst van polders onder Voorhout uit 1653 wordt de polder "Kijffpolder" genoemd. Maar een andere aantekening uit hetzelfde jaar geeft: "Sprompolder". In 1782 brandde er een molen af in de oostelijker gelegen Roodemolenpolder. Deze kreeg hulp van de, nu geheten "Luyzemartse polder".

Misschien houdt de naam van de polder verband met een weinig gewaardeerde grassoort, dat in die tijd 'luusch' genoemd werd. En 'marke' is watereppe of waterpeterselie. Het kan ook zijn dat men in deze polder is gestart met een tweedehands molen. De secretaris van de Vereniging Oud Leiden, Bicker Caarten, richtte zich in 1943 tot de secretaris van de polder met verzoek om inlichtingen over de oorsprong van de poldernaam. Hij schreef dat volgens een journalist de naam afkomstig zou zijn van "Laan- en Marktpolder". In Rijnlands archief had hij daar overigens geen bewijzen voor gevonden. De theorie van de archivaris van Rijnland, Fockema Andreae als zou de polder vanwege onenigheid bij de stichting "marché aux puces" genoemd zijn, wordt nergens bevestigd.

Zwanburgerpolder

De naam Zwanburg is een verbastering van Zwanenborch (al in 1615 op kaarten terug te vinden) dat verwijst naar de naam van het water bij het Huys te Warmont, waarschijnlijk een verzamelplaats van zwanen. De Heren van Warmond hadden het recht van zwanendrift. Dat was het voorrecht om zwanen te houden en te verhandelen in een bepaald gebied. Wie een zwaan wilde bezitten of vangen moest daarvoor formele toestemming krijgen van de leenheer. In de baard van de Zwanburgermolen is een zwaan afgebeeld: een verwijzing naar deze naam en geschiedenis.

Zwanburger_zwaan

Foto: Baard Zwanburgermolen (Foto: P. Sleeboom)

Gecombineerde Huiszitter- en Meeslouwerpolder

De Gecombineerde Huiszitter- en Meeslouwerpolder was een waterschap in de voormalige gemeente Stompwijk. Door gemeentelijke herindelingen kwam de polder in 1938 in de gemeente Leidschendam te liggen; sinds 2002 ligt de polder in de gemeente Leidschendam-Voorburg.

Het waterschap was in 1646 gevormd door de fusie van de Huiszitterspolder en de Meeslouwerpolder. Beide polders bestonden al uit eerder gecombineerde kleine polders (de Campens- of Huiszitterspolder en de Kniplaans- of Meeslouwerpolder).

De Huiszitterpolder werd gesticht in 1627 en genoemd naar de grondeigenaar: het Huiszittenhuis te Leiden. Huiszittenmeesters waren verantwoordelijk in elke parochie voor de thuiswonende (huiszittende) armen. De Meeslouwerpolder werd vernoemd naar een eigenaar: Mees Louwen.

Boepolder

De Boepolder bij Woubrugge dankt zijn naam aan de benaming voor een veestal voor zomergebruik: 'bude' of 'boo'. In deze veenstreek waren grote delen in de tweede kwart van de zeventiende eeuw alleen gedurende de zomermaanden exploitabel. Deze kleine polder werd gesticht in 1626 en ingelijfd door de polder Oudendijk op 2 oktober 1655.

In 1727 verstrekte Rijnland voor het eerst een vergunning die voorzien was van een reglement waarin de organisatie, financiering en technische uitvoering van afgraving en drooglegging in één keer geregeld werd. Het betrof de Oudendijkse polder en de Boepolder in Esselijkerwoude. De ingelanden hadden een plan opgemaakt om hun te combineren polders in 30 jaar te vervenen en te bedijken en vervolgens droog te maken. Op 28 mei 1761 werd besloten de Oudendijkse Polder droog te maken met twee achtkante vijzelmolens.

In 1827 werd ook de Plaspolder toegevoegd. Vanaf 1859 werd het geheel Oudendijkse Polder genoemd.

Bonte Kriel polder/ Bonte Krielpolder

Dit is een naar een molen vernoemde polder. In het morgenboek van Sassenheim van 1716 is al sprake van de Bonte Kriel polder. Op 6 april 1748 werd voor het poldertje een reglement vastgesteld. Drie jaar later werd de "Bontekrielse polder" nog vergroot met een stuk land van Jan Hubregt.

De gemeentegrens tussen Lisse en Sassenheim lag precies op de watergang van de molen, deze staat dus zowel in het kadaster van Lisse als in dat van Sassenheim vermeld. Vermoedelijk hoorden van molen en erf elk de helft bij elke gemeente. Bij beide gemeentes staat wel een andere eigenaar vermeld, waarschijnlijk was zoals bij wel meer polders de molen van de polder en de grond particulier bezit.

Poldereiland Faljeril

Het eiland gelegen in de Kagerplassen werd in de 15e eeuw het Schoenenland (Schoeland of Schoekamp) genoemd. Het eiland werd zo genoemd omdat van de “penningen [geheven over de opbrengst]” de armen binnen Warmond in de winter van schoenen werden voorzien. Het betrof landerijen van de abdij Leeuwenhorst. In 1637 wordt het eiland "Faijer Hil” genoemd. De eerste persoon die onderzoek deed naar de herkomst van deze naam was Elsa Jagerman. In haar boek De Kaag en Kagerplassen door de eeuwen heen staat de volgende verklaring:

Als die verklaring klopt, dan is de naam etymologisch verwant aan de oude term 'vauderij', oftewel 'tovenarij' (zie de vondst van Leidse heksen).

Faljeril

In 1686 wordt het eiland in het Morgenboek van Warmont genoemd als “Eijlandt van de Schans, int gemeen genaemt Fairhil” wat herinnert aan de aanwezigheid van een schans op het eiland tijdens het beleg van Leiden (1573-1574). W.C.H. Machen meldt dat de schans tijdens het beleg onder bevel van de Engelse kapitein Fairhil stond, en dat enkele jaren later ene Jacob Claasz. van Fairhil 79 roeden land op de Schans bezat. De door Machen genoemde Jacob Claasz. van Fairhil heeft echt bestaan, maar leefde in de late 17de eeuw. Dus het is niet waarschijnlijk dat hij de naamgever van het eiland is geweest.

Er zijn nog twee mogelijke interpretaties van “Faijer Hil”. Het zou het "heuveltje van Faye" kunnen zijn geweest. Het woord ‘hil’ betekende heuveltje of hoogte. In de middeleeuwen was sprake van een mannelijke persoonsnaam ‘Faye’. Een bezwaar tegen deze interpretatie is dat in het middeleeuwse Warmond géén persoon met de naam Faye bekend is.

Een tweede interpretatie is meer interessant. Op Nederlandse zeekaarten kom je eind 16e eeuw regelmatig de naam tegen voor een Schots eilandje dat voluit "Faijerhil” wordt genoemd. In het Visboeck van Adriaen Coenen uit 1579 wordt gemeld: “Onse vischers die met die harinck buysen in de Noortszee onder England en Schotland en die eylanden als Fayer hil (nu Fair Isle) en Hitland (Shetland) om die haricnk vischen”. De Nederlandse haringvissers visten eind 16e eeuw bij het kleine Schotse eiland dat zij "Fayer hil" noemden, misschien namen zij de naam mee als benaming voor een klein eiland.

Bronnen:

  • Coenen, Adriaen, Visboeck, 1579
  • Fockema Andreae, S.J., Poldernamen in Rijnland. Leiden: A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij N.V., 1952
  • Jagerman, Elsa, De Kaag en de Kagerplassen door de eeuwen heen, 1973.
  • Steur, A.G. van der, Aantekeningen van wijlen W.C.H. Machen betreffende Warmondse geschiedenis en Warmondse geslagten, Warmondse bijdragen, nummer 3 Historisch Genootschap Warmelda, 1970
  • Jaarboekje Rijnlandse Molenstichting 1989
  • Fannee, Mathieu, Atlas van Laatmiddeleeuws Warmond, Historisch Genootschap Warmelda, 2022
  • Historische Vereniging van Oegstgeest geraadpleegd op 20 december 2024
  • Historie | Diaconaal centrum De Bakkerij - Leiden geraadpleegd op 20 december 2024