Rijnland over de grenzen heen: internationale samenwerking tussen 2000-2005

18 februari 2026
Header Aquatake2

Rijnlands waterbeheer speelt zich niet alleen binnen het eigen beheergebied af. Het water dat door de Rijnlandse boezem stroomt komt voor een deel ergens anders vandaan. Het hoogheemraadschap moet daarom regelmatig over de eigen grenzen heen kijken en de samenwerking met andere partijen aangaan om waterproblematiek, zoals wateroverlast en droogte, tegen te gaan.

Dat is op zich niet nieuw. Sommige vormen van samenwerking zijn zelfs al eeuwenoud. In het verre verleden haalde Rijnland vooral de banden aan met omliggende waterschappen, waaronder het Grootwaterschap van Woerden en de hoogheemraadschappen van Delfland en Schieland. Heel af en toe kwam het voor dat het hoogheemraadschap het iets verder zocht. Denk bijvoorbeeld aan de Rijnlandse bemoeienis bij het onderhoud van de Lekdijken in de 18de en 19de eeuw (zie: ‘Het dijkleger werd opgetrommeld; de dijken braken bijna door!’) of het verlenen van hulp tijdens de Watersnoodramp (zie: ‘Hulp aan overstroomd gebied tijdens de Watersnoodramp in 1953’). Toch bleef ook die samenwerking tot ver in de 20ste eeuw vooral binnen de Nederlandse grenzen.

Een internationale stap

Vanaf wanneer keek Rijnland dan echt over de Nederlandse grenzen heen? Dat is eigenlijk pas sinds het begin van de 21ste eeuw het geval. In 2000 werden door dijkgraaf en hoogheemraden en de Verenigde Vergadering (VV) besloten om meer te doen in het kader van ontwikkelingssamenwerking. In de periode daarvoor was wel sprake geweest van internationale samenwerkingen. Zo had een aantal technici uit verschillende Oost-Europese landen bij Rijnland ervaring opgedaan en waren Rijnlandse medewerkers naar Egypte gegaan om daar kennis uit te wisselen. Vaak ging het om incidentele gevallen waarbij Rijnland door een derde partij om advies of hulp werd gevraagd. Daarnaast had het hoogheemraadschap hier geen specifiek beleid voor opgesteld. Dat was op zich niet gek: als functionele overheid viel ontwikkelingssamenwerking niet binnen het Rijnlandse takenpakket.

Dijkgraaf en hoogheemraden waren daarom niet meteen geneigd om een voorlopig bedrag van 100.000 gulden voor dat doel in de begroting op te nemen, zoals door een van de hoogheemraden was voorgesteld. Toch zag het college wel potentie in het idee. De directeur Waterbeheer werd gevraagd een notitie op te stellen over de rol die Rijnland op dit vlak kon spelen. In de notitie Rijnland en ontwikkeling zette de directeur uiteen welke voordelen ontwikkelingssamenwerking kon opleveren. Ten eerste kon Rijnland door middel van de opgedane kennis en ervaring helpen met de ‘hervorming c.q. opbouw van overheidsorganisaties in ontwikkelingslanden’. Ten tweede zou het ‘blikverbredend en verrijkend’ zijn voor het hoogheemraadschap zelf. Rijnland kon nieuwe ervaringen opdoen die het binnen het eigen beheergebied zou kunnen toepassen.

Fragment besluit VV

Afbeelding 1: Het besluit van de Verenigde Vergadering van 11 oktober 2000. Afkomstig uit het archief van het hoogheemraadschap van Rijnland (1.1.4/492).

Een bijkomende factor was dat verschillende waterschappen zich steeds internationaler gingen opstellen. Bij de Unie van Waterschappen (UvW) was dit ook opgevallen en begon men zich af te vragen welke rollen voor de waterschappen weggelegd waren. Eén van de voorstellen was het oprichten van een commissie voor Internationale Zaken waaraan individuele waterschappen deelnamen.

Dit alles in overweging nemende, stelde de directeur in zijn notitie voor dat Rijnland deze trend zou volgen. Hiervoor waren een aantal mogelijkheden beschikbaar. In ieder geval raadde hij het bestuur aan om aansluiting te zoeken bij de initiatieven van de UvW. Rijnland zelf kon een drietal stappen overwegen:

  1. het uitwisselen van kennis bij projecten in twee of drie ontwikkelingslanden;
  2. het in samenwerking met een onderwijsinstituut aanbieden van afstudeerstages voor ingenieurs uit ontwikkelingslanden;
  3. het aangaan van een structurele samenwerking met een organisatie op het gebied van waterbeheer in een ontwikkelingsland (op basis van een zogenaamde ‘twinningsovereenkomst’).

Het uitgangspunt voor de directeur was dat het hoogheemraadschap niet zou optreden als risicodrager of initiatiefnemer. Het moest niet zelf actief op zoek gaan naar projecten, maar verzoeken tot samenwerking van andere partijen afwachten.

Ontwikkelingssamenwerking tot de fusie

Dijkgraaf en hoogheemraden namen het voorstel van de directeur geheel over. Tijdens de behandeling daarvan door de VV gaf de dijkgraaf nog aan dat ontwikkelingssamenwerking eigenlijk niet tot Rijnlands takenpakket behoorde en dat het bestuur een goede reden had om het gedane voorstel te weigeren. Maar het hoogheemraadschap stond volgens hem ‘niet buiten de werkelijkheid’. Het was ‘maatschappelijk ongewenst om op dit soort momenten af te haken’. Een meerderheid van de VV stemde hiermee in. Het hoogheemraadschap begaf zich door dit besluit van 11 oktober 2000 officieel op het internationale podium.

Aan de plannen werd snel uitvoering gegeven. Uit een notitie van dijkgraaf en hoogheemraden van januari 2002 blijkt dat Rijnland zich had aangesloten bij een aantal projecten in Bangladesh, Indonesië en Roemenië. Tegelijkertijd vonden er jaarlijkse uitwisselingen plaats tussen Rijnland en het Duitse Ruhrverband (Emscher Genossenschaft und Liebverband). Dat wil niet zeggen dat alle projecten ook daadwerkelijk werden voortgezet. Zo besloot de VV in 2004 geen bijdrage meer te leveren aan waterprojecten in Bangladesh. In plaats daarvan raakte Rijnland betrokken bij een overleg geïnitieerd door de gemeente Leiden om wateroverlast in Buffalo City in Zuid-Afrika aan te pakken.

Zuid afrika mrt 2010 079

Afbeelding 2: Foto van een AWZI gemaakt tijdens een werkbezoek aan Zuid-Afrika in 2010.

Ook het initiatief om jaarlijks een ingenieur uit een ontwikkelingsland op te leiden werd voortvarend opgepakt. De directeur gaf aan dat sinds 2002 in samenwerking met het IHE Delft (Institute for Water Education) drie afstudeerstages waren afgerond door ingenieurs uit Bangladesh en China.

Al met al keek het bestuur in 2004 positief terug op de internationale stappen die Rijnland in de voorgaande drie jaar had genomen. Zowel zelfstandig als in samenwerking met andere waterschappen en partijen had Rijnland al veel ondernomen. Door deel te nemen aan verschillende commissies en vergaderingen werden de internationale netwerken steeds meer uitgebreid. Volgens de directeur, dijkgraaf en hoogheemraden moest het hoogheemraadschap deze koers vooral voortzetten. Ook de VV stemde hiermee in. Wel zou de verdere uitwerking van de ontwikkelingssamenwerking moeten wachten tot na de fusie in 2005.

Bronnen

  • P.J.E.M. van Dam, ‘Rijnland onbegrensd: watergrenzen en kennisgrenzen’, in Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis, vol. 12 (2003-2) 50-58.
  • NL-LdnHHR, Hoogheemraadschap van Rijnland (1987-2004):
    • 1.1.4/422, Verenigde Vergadering notulen, 2000.
    • 1.1.4/489, Projecten Indonesië en Bangladesh, 2001-2002.
    • 1.1.4/490, Project Buffalo City in Zuid Afrika, 2004.
    • 1.1.4/491, Project Roemenië, 2000-2004.
    • 1.1.4/492, Rijnland en ontwikkelingssamenwerking, 2004.