Rijnland is van oudsher een waterrijk gebied. Aan het einde van de Middeleeuwen werd het steeds lastiger om de inklinkende veenpolders tijdens de winter droog te houden. Vooral de uiteinden van de kavels bleken moeilijk te ontwateren. Men besloot van deze uitdaging een voordeel te maken door in de natste en meest rustige delen van de polders eendenkooien aan te leggen. In de volgende eeuwen vormden eendenkooien een vast element in het Rijnlandse landschap.
De voornaamste reden voor het bouwen van een eendenkooi was het aanvullen van de voedselvoorraad in de wintermaanden. Het vangen van watervogels is lange tijd een belangrijke voedselbron geweest. Het bouwen en exploiteren van ‘vogelkooyen’ liep in het begin van de 16e eeuw in Holland zelfs wat uit de hand. De grote hoeveelheden eenden bezorgden veel schade aan de landbouwgewassen in de omgeving van de kooi. Karel V vaardigde daarom in 1550 een plakkaat uit waarin beschreven stond dat er een vergunning moest worden aangevraagd voor de bouw van een eendenkooi. Dit plakkaat betrof de regio’s Amstelland, Waterland, Gooiland, Rijnland en Zuid-Holland.
Hoe ziet een eendenkooi eruit
Eendenkooien zijn eigenlijk lokvijvers. Ze bestaan uit water (kooiplas) met daaromheen rietschermen en kooibos. De rietschermen zijn zo geplaatst dat de eenden niet zien wat erachter gebeurt. De vaste bewoners van de kooi zijn tamme eenden. Overvliegende troepen wilde eenden worden aangetrokken door het geluid van de tamme soortgenoten en strijken neer in de plas. Rondom de vijver zijn smaller wordende sloten, vangpijpen, meestal met een bocht in de vangarm waardoor de eenden niet kunnen zien waar ze naar toe zwemmen. Door de netten die over de sloot zijn gespannen kunnen de eenden niet wegvliegen (zie afbeelding 3). De uitdrukking ‘de pijp uit gaan’ komt hier vandaan. Als je als eend in de pijp belandde was het gedaan met je leven.

Afbeelding 1: De meest voorkomende vorm van de eendekooi, het rogge-ei. Detail uit een kaart van de Stommeerpolder, 1650 (HHR, collectie kaarten A-1010).
De tamme eenden die de kooiker in de plas liet rondzwemmen werden op gezette tijden gevoerd. Als er voldoende (wilde) eenden in de plas waren was het de taak van de kooikerhond om de aandacht te trekken van de eenden. Voor de tamme eenden was dat het teken dat er voer kwam, ze waren gewend aan de kooikerhond. De wilde eenden werden door de hond de vangpijp in gejaagd. De kooiker koos altijd de pijp die op de wind lag aangezien eenden altijd loodrecht op de wind wegvliegen. Om te voorkomen dat zijn lichaamsgeur hem verraadde, had hij altijd een stukje rokende turf bij zich.
De eigenaren van eendenkooien waren doorgaans welgestelde mensen die de kooi verpachtten aan een kooiker. Deze kooiker ving eenden voor het vlees en de veren (dons vulling). Hij verkocht ook het kaphout dat rondom de vijver groeide om de pacht op te brengen.
Relatie met waterbeheer
In 1541 werd in een Rijnlands keur al melding gemaakt van vogelvangst in verband met bepoldering. Sommige vogelaars staken dammen door en openden duikers en sluizen om polders onder water te zetten en meer vogels aan te trekken. Dit gedrag werd verboden, omdat het de molens hinderde die juist bezig waren de polders van water te ontdoen.
De ontwatering, het droogmaken van veenplassen en meren, had een negatieve invloed op het aantal eendenkooien. Het belang van kooikers bij een waterrijke omgeving botste met de intensivering van de bemaling in omliggende percelen. Eenden komen 's winters af op blank staande polders, dus het najaar en de winter waren de seizoenen waarin kooikers hun inkomsten verdienden. Het gewenste lage waterpeil van de boeren was voor de kooiker te droog, terwijl het waterpeil van de kooiker voor de boeren te nat was. Dit leidde tot conflicten, zoals in de Behoudenskostpolder, een gebied van ongeveer 200 morgen groot in het oosten van Hazerswoude, tegen de grens met Alphen en Laag Boskoop aan.
Rond 1630 werd een radicale verbetering van de ontwatering doorgevoerd. De kaden werden verhoogd en de molen bleef nu zomer en winter in bedrijf. In 1641 gaf Rijnland het polderbestuur toestemming om enige infrastructurele ingrepen te doen om de polder zowel in de zomer als in de winter droog te houden.
Niet veel later werd de waterbeheersing in het gebied rond de Behoudenkostpolder opnieuw verbeterd door samenvoeging van vele kleine poldertjes, samen met enige nog ontpolderde landen, tot de polder Rietveld (1648). In totaal lagen er toen in dit gebied vijftien eendenkooien, zo blijkt uit de stukken uit het polderarchief polder Rietveld ( NL-LdnHHR, Archief Polder Rietveld, inv.nr 2.2.11.2/41).
Vergunningen om water de polder in te pompen
Geconfronteerd met lagere waterstanden kozen de eigenaren van een aantal kooien ervoor molentjes te bouwen om water in de kooiplas te malen. Deze oplossing werd ook op andere plaatsen in Rijnland toegepast. Het Hoogheemraadschap gaf onder meer consent voor irrigatiemolentjes voor een kooi in Esselijkerwoude in 1546 (vermoedelijk in de latere Kooipolder) en een in de Lagenwaardse polder in Koudekerk in 1658. De molentjes maalden het water de wedde of kooiplas in.

Afbeelding 2: Eerste Blafferd van Jan van Brouchoven ("Blafferds", protocollen en registers van keuren en vergunningen), NL-LdnHHR, Oud Archief Rijnland, inv.nr 1.1.1/216 folio 162v
Transcriptie (eerste 6 regels): Kercgebodt tot hoghemade Job Willems zoon woonende In Jacobswoude op te Does es bij dijcgrave ende hooghe heemraden van Rijnl[and]t geconsenteert een kercgebodt, Omme te stellen een cleijn paerdemoelentgen daer mede hij t water uuijte does zal mogen maelen In zijn wedde daer Inne hij zijne koy eenden houdende...
In bovenstaand inventarisnummer wordt goedkeuring gegeven aan een inwoner van Jacobswoude om met een molentje water de kooiplas in te malen. Omdat we in de vergunningenregisters bijna uitsluitend vergunningen voor molens vinden die juist bedoeld waren om het waterpeil te verlagen, zijn dergelijke vergunningen wel opmerkelijke uitzonderingen. Na de oprichting van de polder Rietveld in 1648 verschenen er vier kleine molentjes om water in kooiplassen te pompen. Toch waren binnen enkele jaren al deze kooien verlaten, en de inkomsten uit de overige kooien waren door de verlaging van het waterpeil zo achteruitgegaan dat ze nauwelijks nog de moeite waard waren om te behouden, aldus een verklaring van een schepen en een ingeland van Hazerswoude op 2 juni 1654 (NL-LdnHHR, Oud Archief Rijnland, inv.nr 1.1.1/4597). Irrigatie bleek dus lang niet altijd een effectieve oplossing. Veel van de kooien in de polder Rietveld zijn uiteindelijk dan ook verdwenen.

Afbeelding 3: Vangarm van eendenkooi Vijfhuizen, Foto Marja Spiering
Eendenkooien nu
In de dertiger jaren van de vorige eeuw kwamen er onder invloed van de hoge werkeloosheid vele ruilverkavelingsplannen. Deze plannen brachten de aanleg van vele wegen met zich mee alsmede een verdere ontwatering. Akkers werden beter bereikbaar en het waterpeil werd lager. Naast de ruilverkaveling droeg ook de steeds verder gaande verstedelijking ertoe bij dat er minder rustige gebieden waren voor eendenkooien en dat vangsten in kooien verminderden. Na de Tweede Wereldoorlog was er een omslag. Aan het boerenbedrijf werd veel meer verdiend dan aan eenden vangen. In het begin van de jaren vijftig krijgt men verder te maken met steeds meer bezwaren vanuit de landbouw en de internationale vogelbescherming.
Met de jachtwet van 1977 wil de regering het aantal eendenkooien geleidelijk gaan verminderen. Indien een kooi niet meer gebruikt wordt of gebruikt kan worden om eenden te vangen kan de kooi niet meer jaarlijks geregistreerd worden. Niet meer geregistreerde kooien worden niet meer door de jachtwet beschermd. Het oprichten van nieuwe kooien is niet meer toegestaan. Resultaat van deze beperkingen is dat er in Nederland nog ongeveer 120 eendenkooien zijn geregistreerd. Meer dan de helft is in handen van natuurbeschermingsorganisaties; de rest is in particulier bezit.
Al ruim honderd jaar zijn eendenkooien ook gebruikt om eenden te ringen. Eendenkooien spelen een rol in wetenschappelijk onderzoek. Sinds een aantal jaren loopt er daarom een discussie om opnieuw oude eendenkooien te registreren dan wel geheel nieuwe eendenkooien toe te voegen. Ze leveren belangrijke informatie over de eendentrek. Als een geringde eend drie dagen later wordt neergeschoten aan de Atlantische kust in Frankrijk, dan weet je hoe snel de vogel zich kan verplaatsen. Dergelijke gegevens worden ingevoerd in een grote database voor heel Europa. Deze informatie wordt gebruikt voor onderzoeksprogramma's ter voorkoming en verspreiding van vogelgriepvirussen.
Literatuur en bronnen
- Van Tielhof, Milja en Petra J.E.M van Dam. Waterstaat in stedenland. Het hoogheemraadschap van Rijnland tot 1857. Utrecht: Uitgeverij Matrijs, 2006.
- Van Tielhof, Milja. Eendenkooien in de vroegmoderne tijd, Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 13 (2004) 47-59
- Algemeen - Het Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN) (natuurkennis.nl) (Geraadpleegd op 14 juli 2024)
- De Nederlandse eendenkooien (Geraadpleegd op 23 juli 2024)