Het thema van de Maand van de Geschiedenis ‘Wat een ramp!’ valt dit jaar samen met de herdenking van het Rampjaar 1672 dat 350 jaar geleden plaatsvond: een jaar waarin de Republiek der Verenigde Nederlanden tegelijkertijd werd aangevallen door Frankrijk, Engeland en de bisdommen van Münster en Keulen. Zoals het bekende gezegde luidt: het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos.
In een korte tijd werd de Oude Hollandse Waterlinie opgezet, waardoor de Franse legers onder leiding van koning Lodewijk XIV tot stilstand werden gebracht langs de grenzen van Holland. Ook Rijnland werd hierbij betrokken. Hoewel er geen Rijnlandse polders onder water werden gezet en het hoogheemraadschap niet aan de waterlinie grensde, droeg Rijnland bij aan de totstandkoming en de bescherming van de waterlinie. Dit gebeurde op de volgende manieren:
- Het laten stijgen van het boezemwater tot het niveau van het gemiddelde winterpeil om de waterlinie van zoet inundatiewater te voorzien;
- Het tegengaan van vijandelijke inundaties, bijvoorbeeld door de aanleg van de Prinsendijk langs de Enkele Wiericke in samenwerking met de hoogheemraadschappen van Delfland en Schieland.
- Het afwateren van inundatiewater in samenwerking met het grootwaterschap van Woerden, dat wel was geïnundeerd en afwaterde op Rijnland.

[Figuur 1. Fragment uit kaart A-0091, gebaseerd op de overzichtskaart van Rijnland van 1746, waarop met een rode lijn het verloop van de Oude Hollandse Waterlinie is weergegeven. NL-LdnHHR, Collectie kaarten, A-0091.]
In deze tekst wordt vooral aandacht besteed aan de wintermaanden van 1672-1673, toen de angst bestond dat het Franse leger via de bevroren waterlinie Holland binnen zou trekken. Deze angst werd werkelijkheid toen een legereenheid onder leiding van de hertog van Luxembourg op 27 december 1672 via het ijs de provincie binnentrok en Zwammerdam en Bodegraven plunderde en verwoestte. Een herhaling van deze ramp moest koste wat kost voorkomen worden.
De theorie
Op 9 november 1672 gaven de Staten van Holland en West-Friesland de opdracht aan Rijnland om een lijst op te stellen van alle dorpen en plaatsen, met alle manschappen die opgeroepen konden worden om het bevroren inundatiewater open te breken. Dit werd ook wel ‘ijsen en bijten’ genoemd. Er werd eerst een voorlopige lijst ingediend, die op den duur werd uitgewerkt tot een officieel advies. Het kwam bekend te staan als het ‘Advijs, geformeert bij de Dijckgraef ende Hogeheemraden van Rijnlandt […] dienende tot beveilinge van de provintie van Hollandt jegens de invasien ende incursien die den vijant soude ondernemen bij tijden van besloote water en ijs.’
In dit advies werd per open te bijten watergang, vanaf de Enkele en de Dubbele Wiericken tot aan de Drecht bij Uithoorn, aangegeven hoeveel manschappen er minimaal nodig waren om de werkzaamheden uit te voeren. Ook werd aangegeven welke ambachten voor deze manschappen en de benodigde materialen moesten zorgen.
Op basis van de overzichtskaart van Rijnland werd berekend dat ongeveer 10.400 roeden (waarbij één roede gelijk staat aan 3,76 meter) aan watergangen opengebeten moesten worden. Hiervoor werden in totaal 2.070 manschappen opgeroepen uit verschillende ambachten. Het college meende dat er per 100 roeden aan open te breken ijs ongeveer 20 mannen vereist waren. Voor het openbreken van de Groote of Dubbele Wiericke, die op 2.150 roeden werd vastgesteld, was 425 man nodig. Er werden uiteindelijk 435 manschappen opgeroepen uit Stompwijk en Wilsveen, Zwammerdam, Benthuizen en Benthorn, Zoetermeer, Zegwaard, Bodegraven, Boskoop, Bloemendaal, Willens en Stein om de Dubbele Wiericke ijsvrij te maken (zie figuur 2).

[Figuur 2. Fragment uit het ‘Advijs, geformeert bij de Dijckgraef ende Hogeheemraden’. NL-LdnHHR, Hoogheemraadschap van Rijnland (Oud Archief van Rijnland), inv.nr. 1.1.1/9491a.]
Daarnaast gaven dijkgraaf en hoogheemraden de opdracht aan molenaars om de poldermolens draaiende te houden, zodat het water in beweging bleef. Ook moesten er patrouilles worden uitgevoerd, niet alleen om de manschappen tegen aanvallen van de vijand te beschermen, maar ook om te garanderen dat de manschappen op hun plek bleven. Tot slot raadde het bestuur aan dat enkele andere watergangen, waaronder de Gouwe, de Goudse trekvaart, de Aar en een gedeelte van de Drecht door manschappen uit Schieland en Delfland opengebeten moesten worden. Op 17 september kregen alle Rijnlandse ambachten het bevel om te gaan ‘ijsen en bijten’.
Het plan was minutieus uitgedacht, zoals uit het advies van de dijkgraaf en hoogheemraden blijkt. Dan rest nog de vraag, waarom werkte het dan niet?
De praktijk
Dat het plan niet succesvol was, blijkt uit het ‘Verbael gehouden bij de Heeren Fredericq van Dorp, Heere van Maesdam, etc. Dijkgraeff, Arent van Wassenaer, Heere van Duvenvoorde etc. ende Johan van Wassenaer, Heere van Warmont etc., Hoogeheemraden van Rijnlandt, geadsisteert met den Secretaris Hulshout aengaende het besoigneerde over het subject vant ijsen ende bijten van de canalen naest aen den vijant gelegen, voorgevallen in den jaere 1672’.
Hierin deden dijkgraaf en hoogheemraden uitvoerig verslag van hun handelen en waarom de zaken niet liepen zoals zij zich hadden voorgesteld. Zo had het college tijdig gehandeld (volgens het college zelf) maar kreeg zij niet op tijd antwoord van de inliggende ambachten. Sommige ambachten hadden zelfs (expres) verkeerde aantallen doorgegeven, waardoor er geen complete lijst kon worden opgesteld.
Daarbij had Rijnland geen middelen om controle of druk uit te oefenen op de manschappen. Het bestuur schreef verschillende personen aan, waaronder de graaf van Königsmarck, opperbevelhebber van de Staatse troepen te Bodegraven, met het verzoek om soldaten in te zetten om de ambachtslieden in de gaten te houden. Hoewel dit wel werd toegezegd, kwam hier in de praktijk weinig van terecht. De soldaten waren immers nodig aan het front. Rijnland kon dus wel dreigen met militair ingrijpen, maar eigenlijk stond het machteloos.
Tot slot zagen weinig ambachtslieden het nut in van het ‘ijsen en bijten’. Zij kregen weinig tot geen vergoeding, werden soms ruw behandeld en moesten werken en slapen in barre omstandigheden. Het bestuur gaf de bodes de opdracht om per ambacht na te gaan wie niet was komen opdagen en waarom niet. De voornaamste reden die door de bodes werd opgegeven was dat sommige ingezetenen simpelweg weigerden om mee te gaan (zie figuur 3). Zo zouden de manschappen uit Veur door een ‘welgeboren man’ naar de herberg van Leer Noch langs de Hoge Rijndijk worden begeleid, waar zij opgewacht werden door de schout van Voorschoten en diens manschappen. Nadat het gezelschap uit Veur de schout een hele dag had laten wachten, kwam alleen de welgeboren man opdagen, die hem moest vertellen dat de ingezetenen allemaal naar huis waren teruggekeerd. Andere manschappen waren wel vertrokken toen zij de opdracht kregen, maar waren kort daarna weer teruggekeerd toen het begon te dooien en het bijten niet meer nodig leek. Dit was onder andere het geval voor de ingezetenen van Benthuizen en Benthorn.
Anderen gingen zelfs een stapje verder: Mees Joppen Murwijn uit Voorschoten bijvoorbeeld, liet zich ‘liever in sijn deur […] ophangen als te gaen byten ofte iets daer toe te contribueren’. Ene Gerrit Jansz. van Langevelt, inwoner van Noordwijk, had in eerste instantie aangegeven dat hij mee zou gaan, maar toen hij de compensatie ontving smeet hij het geld op de vloer, ‘seggende dat hij den duyvel van het gelt, ende vande burgemeesters hadde, daer op hij oock is ’t huijs gebleven.’

[Figuur 3. Fragment uit het verslag van de heemraadsbode C. van Cleij over de afwezigheid van manschappen uit de ambachten Stompwijk en Wilsveen. NL-LdnHHR, Hoogheemraadschap van Rijnland (Oud Archief van Rijnland), inv.nr. 1.1.1/9491b.]
Conclusie
Uiteindelijk was er een aantal oorzaken waarom de operatie niet succesvol kon worden uitgevoerd: het kwam traag tot stand, het waterschap kon geen (militaire) druk uitoefenen om ambachtslieden aan het werk te zetten en ambachtslieden zelf zagen hier geen heil in vanwege de barre omstandigheden. Zoals Leen Ouweneel in Regenten en de Waterlinie in het Rampjaar beschrijft dat ‘geconcludeerd kan worden dat inderdaad de invallende dooi de invasie van de Fransen heeft verijdeld en niet het tekortschietende ‘ijsen en bijten’.’
Bronnen
- Hoogheemraadschap van Rijnland, Leiden (NL-LdnHHR), Hoogheemraadschap van Rijnland (Oud Archief van Rijnland (OAR), 1255-1857), inventarisnummer 1.1.1/9491a en b.
- J.W. van Sypesteyn en J.P. de Bordes, ‘Het hoogheemraadschap van Rijnland in 1672. Eene nieuwe bijdrage tot het werk: De verdediging van Nederland in 1672 en 1673’ in: Militaire spectator (1852) pp. 261-267.
- L. Ouweneel, Regenten en de Waterlinie in het Rampjaar. Hoe de Hollandse Waterlinie tot stand kwam (Schoonhoven, 2022).