Sinds het ontstaan van Rijnland in de 13de eeuw heeft het zich voornamelijk bezig gehouden met de zorg voor regionale waterkeringen en het op peil houden van de boezem. Zodoende had de waterkwantiteit altijd voorop gestaan. Zoals blijkt uit de blog over het schoonschuren van de stadsgrachten kwam de waterkwaliteit af en toe aan bod, maar werd deze problematiek altijd vanuit het houden van droge voeten benaderd.
Verversen van het boezemwater wordt taak van Rijnland
Hier kwam verandering in aan het eind van de 19de eeuw en tijdens de 20ste eeuw, toen Rijnland de zorg voor schoon water steeds meer naar zich toe trok. De klachten over stank, viezigheid en verzilting van het water namen toe. De verslechterde toestand van het water was het gevolg geweest van bevolkingsgroei, toenemende industrialisering, technologische ontwikkelingen in de landbouw (bijvoorbeeld door de toepassing van kunstmest) en de langzame introductie van rioleringssystemen. Daarbij werd het lozen van afvalwater niet aan banden gelegd: alleen voor het lozen van water op de Rijnlandse boezem was een vergunning vereist, niet voor de waterkwaliteit. Dit veranderde toen Rijnland verschillende klachten ontving van tuinders uit Aalsmeer die door een aantal droge jaren te maken hadden met de toenemende verzilting van het boezemwater. Dijkgraaf en hoogheemraden stelden de Verenigde Vergadering voor om – naast het verversen van het stadswater – zich ook in te laten met het verversen van het boezemwater bij vervuiling en verzilting. De eerste stap was gezet: Rijnland nam de zorg voor ‘de hoedanigheid van het boezemwater’ officieel op in het takenpakket in 1927.
Afbeelding 1: Overzichtsfoto van de afvalwaterzuiveringsinstallatie te Noordwijkerhout – G. Zwarts, 1969
In de praktijk kwam de zorg voor de waterkwaliteit maar langzaam op gang. Dankzij de inspanningen van ingenieur P. de Gruyter werd de draad weer opgepakt: in de Rijnlandse keur werd opgenomen dat men een vergunning moest hebben, voordat er (vuil) water op de boezem geloosd mocht worden. Daarbij moesten vervuilers een heffing gaan betalen, waarmee de verversing van het boezemwater door het inlaten van vers water uit de Hollandsche IJssel bij Gouda betaald werd. In eerste instantie ging het om 50 inliggende gemeenten die, op basis van inwoneraantallen en de toestand van het rioleringssysteem, een heffing opgelegd kregen. Op den duur werd deze voorwaarde ook toegevoegd aan de vergunningverlening voor bedrijven en particulieren.
Rijnland gaat voor schoon water zorgen
Gaandeweg kwam de nadruk op het zuiveren van water te liggen, in plaats van het verversen daarvan. Naast de vergunningen en heffingen adviseerde Rijnland bij de bouw van afvalwaterzuiveringsinstallaties of AWZI’s in verschillende gemeenten. Deze kostbare bouwprojecten werden maar langzaam opgepakt. Daarnaast bleek dat de vergunningverlening de vervuiling niet per sé tegenging: het zorgde er alleen voor dat gemeenten en bedrijven legaal afvalwater mochten lozen. In de jaren 1950 werd een studiecommissie ingesteld, die concludeerde dat de zuivering van afvalwater door het hoogheemraadschap geregeld moest worden. Hiervoor was de oprichting van een commissie vereist die de Verenigde Vergadering moest adviseren bij vraagstukken over de waterkwaliteit. In 1965 werd deze Commissie van Bijstand of de Commissie Waterkwaliteit opgericht. Tevens kreeg Rijnland de taak om zelf AWZI’s te bouwen en te beheren. Het hoogheemraadschap was zodoende goed voorbereid op de inwerkingtreding van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren of WVO van 1970. Hierbij werd de zuiveringstaak toebedeeld aan de provincies, die hiermee de vrijheid kregen om dit te delegeren aan de waterschappen. Op grond van de WVO werd de zorg voor schoon water wettelijk toebedeeld aan Rijnland. In 2009 is deze wet vervangen door de huidige Waterwet.
Afbeelding 2: Oxidatiebed van afvalwaterzuiveringsinstallatie Noordwijkerhout – G. Zwarts, circa 1968.
De waterkwaliteit kwam daarbij tot uitdrukking in de samenstelling van het Rijnlandse bestuur, onder andere door de oprichting van de Commissie Waterkwaliteit. Bij de reglementswijziging van 1975 verwierven de ‘vervuilers’ een vaste plek in het algemeen bestuur. Deze leden werden verkozen door gemeenteraden, de Kamers van Koophandel en de gewestelijke raden van het Landbouwschap in Noord- en Zuid-Holland. In 1995 werd deze categorie waterkwaliteit opgesplitst in ingezetenen en bedrijven.
Sinds de WVO houdt Rijnland zich officieel bezig met én het houden van droge voeten én het zorgen voor schoon water. Hoewel men zich indirect al bemoeide met de waterkwaliteit, werd dit pas echt een onderwerp aan het begin van de 20ste eeuw. Daarbij was het niet de makkelijkste weg om te bewandelen. Tegenwoordig is het niet meer uit de bezigheden van het hoogheemraadschap weg te denken: AWZI’s worden gerenoveerd om het water schoner te maken en het restant (slib) duurzaam te verwerken, door de Limes Bubble Barrier wordt bij Katwijk plastic uit het boezemwater gefilterd en onder andere door de aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt de biodiversiteit in het water bevorderd. Dit is maar een kleine greep uit de manieren waarop Rijnland vandaag de dag zorgt voor schoon water. Waterkwaliteit en -kwantiteit staan sinds 1970 op dezelfde voet.
Bronnen
- L. Giebels, Hollands Water. Het hoogheemraadschap van Rijnland na 1857 (Utrecht, 2002) 256-275.
- Canon van Rijnland, zie ook: https://www.canonvannederland.nl/nl/zuid-holland/rijnland.