In de 20ste eeuw veranderde het landschap ingrijpend. Vooral na de Tweede Wereldoorlog schoten nieuwe stadswijken en industrieterreinen als paddenstoelen uit de grond. Hiervoor werden polders of delen daarvan ‘ontpolderd’, waardoor het waterbeheer in dat gebied de verantwoordelijkheid werd van het gemeentebestuur.
Categorie bebouwd
Bij de waterschappen werden de bebouwde gebieden gewoonlijk aangeduid als ‘het gebouwd’. Hoewel de verantwoordelijkheid voor het waterbeheer in bebouwd gebied dus bij de gemeenten lag, hadden bewoners en ondernemers wel degelijk belang bij het werk van het waterschap. Vanouds werden alleen de eigenaren van het ‘ongebouwd’, de landbouwgronden, als belanghebbenden gezien en daarom in het bestuur vertegenwoordigd. Maar hier kwam verandering in. In 1951 werd het reglement van het hoogheemraadschap gewijzigd. Voortaan werd een deel van de leden van de Verenigde Vergadering gerekruteerd uit vertegenwoordigers van de gebouwde eigendommen. Zij werden benoemd door de gemeentebesturen. In het begin waren het vaak burgemeesters die deze taak toebedeeld kregen. Later werden het steeds vaker wethouders Openbare Werken.
Categorie waterkwaliteit
Ongeveer 25 jaar later trad een derde categorie toe tot het bestuur. Al vanaf het begin van de 20ste eeuw was de kwaliteit van het oppervlaktewater een serieuze bron van zorg. Door de toenemende verstedelijking en industrialisatie verslechterde de waterkwaliteit zienderogen. Het hoogheemraadschap trok zich dit aan en ondernam allerlei activiteiten om de waterkwaliteit te verbeteren. In 1970 kwam er een wet voor de waterkwaliteit, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO). Op grond van deze wet kreeg Rijnland formeel de zorg voor de waterkwaliteit toebedeeld. Dit leidde tot het overnemen van zuiveringsinstallaties van gemeenten en het opzetten van een eigen zuiveringstaak die algauw even belangrijk werd als de twee taken die het waterschap vanouds al had: de zorg voor de waterkeringen en voor de waterstand.

In 1975 leidde een wijziging van het reglement ertoe dat ook ‘vervuilers’ in het bestuur vertegenwoordigd raakten. Er werd een nieuwe categorie geïntroduceerd met de naam ‘waterkwaliteit’. Het aantal hoofdingelanden werd uitgebreid tot 30. De zetels werden evenredig over de drie categorieën ‘ongebouwd’, ‘gebouwd’ en ‘waterkwaliteit’ verdeeld in de verhouding 10:10:10. Vanaf nu werden de hoofdingelanden ‘ongebouwd’ en ‘gebouwd’ gekozen vanuit een viertal kiesdistricten. De tien hoofdingelanden ‘waterkwaliteit’ werden benoemd door de gemeenteraden (5) en door de Kamers van Koophandel en de gewestelijke raden van het Landbouwschap (5).
De laatste belangrijke wijziging van het reglement in die eeuw vond plaats in 1995. Het aantal zetels in de Verenigde Vergadering werd uitgebreid tot 36. Het aandeel van de categorie ‘waterkwaliteit’ nam sterk toe tot wel 21 zetels. De categorie werd wel gesplitst in een tweetal nieuwe categorieën: de categorie ‘ingezetenen’ van 18 zetels en de categorie ‘bedrijven’ van 3 zetels. De categorie ‘gebouwd’ werd teruggebracht tot 9 zetels en de categorie ‘ongebouwd’ tot 6. In nog geen halve eeuw was deze laatste categorie, die voor 1951 het algemeen bestuur volledig beheerste, gereduceerd tot iets meer dan 15% van het totale aantal zetels. Het laat zien dat in het sterk verstedelijkte westen de belangen van de landbouw steeds meer moesten concurreren met andere belangen.
Zo ging het hoogheemraadschap dan met een fors uitgebreide Verenigde Vergadering de nieuwe eeuw in. Maar ook na de eeuwwisseling deden zich ingrijpende veranderingen voor. In 2008 deden voor het eerst politieke partijen hun intrede in het bestuur.
Afbeelding header: Het slibdroogbed van de Pasveer-installatie in Stompwijk. Foto M. Dommisse, 1977. NL-LdnHHR, Collectie foto’s, FOTO-001055
Afbeelding 2: Kan waarin tijdens bestuursvergaderingen stembriefjes gedeponeerd konden worden, 20ste eeuw. NL-LdnHHR, Collectie kunst- en gebruiksvoorwerpen, KGV-000364