6. ‘Het dijkleger werd opgetrommeld; de dijken braken bijna door!’

A-1928

Een belangrijk, overschaduwend, thema voor de aankomende waterschapsverkiezingen is klimaatverandering. De aarde warmt op, waardoor de zeespiegel stijgt en we steeds vaker te maken krijgen met extreme weersverschijnselen. Periodes van droogte en wateroverlast kunnen elkaar afwisselen en het is aan de waterschappen om hier op in te spelen. Bijvoorbeeld: we geven rivieren meer de ruimte en laten water een belangrijke rol spelen bij de inrichting van een woonwijk.

Extreme weersomstandigheden in het verleden

Klimaatverandering is echter geen nieuw probleem. Ook in het verleden hebben de Nederlandse waterschappen te maken gehad met de gevolgen van extreme weersomstandigheden. Zo werd de eerste helft van de 18de eeuw gekenmerkt door hoge waterstanden in geheel Europa, waarbij verschillende rivieren al buiten hun oevers waren getreden. Ook in de Nederlandse Republiek werden hoge waterstanden gemeten, onder andere in de rivier de Lek. Op sommige plekken stond het water hoger dan het zogenaamde ‘klokkenslag’. In dat geval werden de kerkklokken geluid om het lokale dijkleger in te schakelen. Dit leger bestond vaak uit een groep ingelanden die bij hoge waterstanden werden opgeroepen om de dijk te bewaken. Men was angstig dat de Lekdijken op ieder moment konden doorbreken en met goede reden…

Wat was de oorzaak geweest van deze watersnood? Enerzijds dacht men dat het te maken had met het dichten van de killen in de Biesbosch, waardoor de Lek en de Linge geen mogelijkheden meer hadden om het water te lozen op de Merwede. Anderzijds schreef men de problemen toe aan het noodweer dat sinds oktober 1740 geheel Europa had geteisterd. Door de extreme neerslag waren via verschillende rivieren en kanalen, waaronder de Rijn en het Pannerdens Kanaal, enorme hoeveelheden water in de Lek terecht gekomen.

De drie Zuid-Hollandse hoogheemraadschappen van Rijnland, Delfland en Schieland waren hier uiterst beducht voor: een doorbraak van de zuidelijke of (met name) de noordelijke Lekdijken langs de hoger gelegen rivier zou immers grote schade kunnen toebrengen aan het lager gelegen polderland. Daarbij lagen de dijken niet alleen buiten de jurisdictie van de hoogheemraadschappen, maar zelfs gedeeltelijk in een andere provincie. Daarom wierpen de hoogheemraadschappen ‘zich op als de verdedigers van het Hollandse polderland dat door haar lage ligging ten opzichte van zee en rivieren van alle kanten bedreigd werd.’[1]

Afbeelding 1: A-1723 - Figuratieve kaart vande situatie van Gelderland, Holland, Uytrecht en Over Yzel, ten regarde van zee, en rivieren, Melchior Bolstra in 1744

Lekdijken braken door

De hoge waterstanden in de Lek spoorden Rijnland aan tot actie. Er werden pamfletten verspreid om de Staten van Holland op het gevaar van de grote hoeveelheden water in de Lek te wijzen. Op aandringen van het bestuur vervaardigden de toeziener Cornelis Velsen en de landmeter Melchior Bolstra verschillende kaarten die het watergevaar voor de provincies Holland, Utrecht en Gelderland moesten weergeven. De algemene conclusie luidde dat de Staten van Holland zich moesten richten op de bescherming van de noordelijke Lekdijk en het verbeteren van de doorstroming bij het Pannerdens Kanaal om verdere problemen te voorkomen.

Het mocht helaas niet baten. De Staten van Holland voelden zich niet genoodzaakt om de problemen snel op te lossen. Het luidde een periode in van regelmatige dijkdoorbraken langs de Lek, die al begon in de winter van 1740 toen de zuidelijke Lekdijk bij Lexmond wegviel. Als gevolg kwam de gehele Alblasserwaard onder water te staan. Hoewel de dijkdoorbraken voornamelijk langs de zuidelijke dijk voorkwamen, nam het de angst niet weg bij de Hollandse hoogheemraadschappen. Deze angst werd bijna een realiteit toen de noordelijke Lekdijk in maart 1747 doorbrak bij Wijk bij Duurstede en Jaarsveld. De landen en polders rondom Utrecht en Woerden werden getroffen. Rijnland had ook onder water gestaan, ware het niet dat de waterstand in de Lek op den duur daalde.

Afbeelding 2: A-1928 - Kaart van den loop der rivieren de Rhyn, de Maas, de Waal, de Merwe, en de Lek, door de provincien van Gelderland, Holland en Utrecht ; Kaart, tot aanduyding van Hollands en Utrechts watergevaar van wegens het afkomend boven water op de Lek, Cornelis Velsen & Melchior Bolstra, 1749

Ook de Staten van Holland zagen in dat er iets moest gebeuren. Er werden verschillende commissies ingesteld die zich bezighielden met het probleem van de bovenrivieren. Ook trad Holland in overleg met Utrecht en Gelderland, die ook baat hadden bij een betere verdeling van het Rijnwater. Er werden onder andere afspraken gemaakt over het onderhoud van de Lekdijken, het verwijderen van obstakels en verzandingen uit de rivier en het verbeteren van de doorstroming bij het Pannerdens Kanaal, om zo verdere dijkdoorbraken te voorkomen.

Verdediger van het Hollandse polderland

De invloed van de Hollandse hoogheemraadschappen en met name Rijnland op het handelen van de Staten van Holland blijkt uit verschillende zaken. In de commissies en delegaties werden vaak Rijnlandse afgevaardigden opgenomen. Daarbij werden Velsen en Bolstra regelmatig ingeschakeld om de vergaderingen van het juiste kaartmateriaal te voorzien. In dit geval is Rijnland met recht een verdediger van het Hollandse polderland te noemen. Het moet deze mantel wederom oppakken, om ook de waterstaatkundige problemen van de toekomst aan te pakken.

Bronnen

[1] P. van den Brink, ‘In een opslag van het oog’. De Hollandse rivierkartografie en waterstaatszorg in opkomst, 1725-1754 (Alphen aan den Rijn, 1998) 88.