9. Het schoon schuren van de stadsgrachten: de zorg voor schoon water vóór de 20ste eeuw

Harlemum [Stadsplattegrond van Haarlem], Romeyn de Hooghe, 1688

Tot en met de invoering van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (WVO) van 1970, waren waterschappen niet verantwoordelijk voor het zuiveren van afvalwater en het garanderen van schoon water. Nu is 1970 geen vaste scheidslijn. Al aan het begin van de 20ste eeuw trok Rijnland de zorg voor schoon water naar zich toe. Daarbij zijn er eerdere gebeurtenissen bekend waarbij het hoogheemraadschap zich wel degelijk bekommerde om de waterkwaliteit.

Stadswater: vloeibare bagger

Sinds de middeleeuwen kampten Rijnlandse steden zoals Leiden, Haarlem en Gouda met de toenemende vervuiling van het stadswater. Het water werd gebruikt om in te wassen, in te toiletteren, ander afval(-water) in te lozen en te drinken, hoewel hiervoor ook speciale putten werden gegraven. De stijgende bevolkingsaantallen zorgden ervoor dat dit water intensiever werd gebruikt voor verschillende doeleinden. Daarnaast raakte het stadswater nog eens extra vervuild door de toenemende industrialisering binnen de steden. Zo waren de lakenindustrie in Leiden en de blekerijen in Haarlem twee van de grote boosdoeners. Niet alleen vormde het vervuilde water een bron van stank en viezigheid (een dokter uit Gouda beschreef het water dat uit de stad kwam als ‘vloeibare bagger’), het bleek ook een gevaar voor de volksgezondheid. Ziektes als malaria, tyfus en cholera eisten vooral slachtoffers in stedelijke gebieden, terwijl bewoners van het platteland hier minder door getroffen werden.

Afbeelding 1: [Lugdunum] Batavorum [anno 1675], Christiaan Hagen, 1675.

Stadswater verversen om ziektes te voorkomen

Er zijn meerdere redenen te benoemen waarom dit het geval was, denk bijvoorbeeld aan de grotere bevolkingsdichtheid in steden en de verspreiding van ziektes via handelsroutes. Voor deze blog is het principe van het zelfreinigend vermogen van water het noemen waard. Water kan organische stoffen zelf afbreken. Hoeveel het precies kan verwerken is afhankelijk van de hoeveelheid en de stroming van het water. Een grote rivier heeft dus een grotere afbraakcapaciteit, terwijl een smalle stadsgracht snel vervuild raakt. Ziektekiemen verspreidden zich gemakkelijker via het vervuilde stadswater, wat tot een hogere besmettingsgraad in steden leidde. Deze connectie werd vroeger niet meteen gemaakt: men schreef de ziektegevallen onder andere toe aan de stank die opsteeg uit het vervuilde water.

Desondanks lieten de desbetreffende stadsbesturen het hier niet bij en probeerden zij de vervuiling op verschillende manieren te bestrijden. Zo werden afvalputten aangelegd, menselijke uitwerpselen werden verzameld om te gebruiken als mest in de landbouw en wanneer een gracht niet of nauwelijks meer te redden viel, dan werd deze overkluisd of gedempt (hier getuigen de verschillende straatnamen met het woord ‘gedempt’ erin nog altijd van, waaronder de Gedempte Oude Gracht te Haarlem). Met behulp van sluizen, molens en – later – gemalen werden systemen ingericht om de stadsgrachten te kunnen verversen: er werd vers water ingelaten om zo het vervuilde water weg te laten stromen. Om deze waterstaatswerken te mogen plaatsen was (over het algemeen) een vergunning van Rijnland vereist.

Afbeelding 2: Harlemum [Stadsplattegrond van Haarlem], Romeyn de Hooghe, 1688

Daarbij moet men rekening houden dat het voor de ene stad gemakkelijker was om het stadswater te verversen, dan voor de andere. Zo kon Gouda, door het hoogteverschil tussen de rivieren de Hollandsche IJssel en de Gouwe, gemakkelijk water inlaten en de stadsgrachten laten schoon ‘schuren’. Leiden en Haarlem waren in dat opzicht minder gunstig gelegen en moesten op sommige momenten de hulp van Rijnland inschakelen. Stadsbesturen konden een verzoek indienen om Rijnlandse sluizen open of dicht te laten zetten of de boezemgemalen meer water te laten lozen (of inlaten, in het geval van boezemgemaal te Gouda). Over het algemeen zag het Rijnlandse bestuur hier geen bezwaren in, tenzij het boezempeil niet gehandhaafd kon blijven. Als tegenprestatie vereisten zij alleen dat het stadsbestuur een bijdrage in de bemalingskosten zou leveren die de extra bemaling tot gevolg had.

Afbeelding 3: [Stadsplattegrond van Gouda], anoniem, 1830

Wat dit laat zien is dat Rijnland zich voor de inwerkingtreding van de WVO al (indirect) bezighield met de waterkwaliteit. Deze problematiek werd voornamelijk bekeken vanuit het perspectief van de waterkwantiteit: alleen wanneer het geen nadelige gevolgen zou hebben voor het Rijnlandse boezempeil konden de plannen doorgang vinden. Sinds het begin van de 20ste eeuw werd de zorg voor schoon water een afzonderlijk onderdeel van het takenpakket van Rijnland. Hoe deze overgang verliep zal in een latere blog over de overgang naar de WVO aan bod komen.

Bronnen

  • M. van Tielhof & P.J.E.M. van Dam, Waterstaat in stedenland. Het hoogheemraadschap van Rijnland voor 1857 (Utrecht, 2006) 159-164.
  • L. Giebels, Hollands Water. Het hoogheemraadschap van Rijnland na 1857 (Utrecht, 2002) 134-143.