Wie vandaag over de Haarlemmerstraatweg door Halfweg rijdt zal het misschien wel zijn opgevallen: tegenover het station, tegen de oude suikerfabriek aan, bevinden zich de overblijfselen van het Huis Zwanenburg. Het diende, net zoals de gemeenlandshuizen aan de Breestraat te Leiden en langs de Spaarndammerdijk te Spaarndam, als zetel voor de dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland. Pieter Post ontwierp het pand en tussen 1645 en 1648 werd het gebouwd, vlakbij de monding van het Haarlemmermeer in het IJ. Het bestuur maakte onder andere gebruik van deze locatie om te vergaderen en om recht te spreken. Maar, dat is niet het enige wat dit gemeenlandshuis zo bijzonder maakte: vanaf de 18de eeuw vormde het een belangrijk centrum voor het verrichten van meteorologische waarnemingen.
Afbeelding 1: Het huis Zwanenburg, Dirk Maes, circa 1702
Metingen gestart als hobby van Rijnlandse opzichters
Aan het begin van de 18de eeuw begonnen verschillende personen en instanties met het verzamelen van meteorologische gegevens. Zo verrichte Nicolaas Cruquius op 19 december 1705 de eerste weermetingen in Nederland. Ook voor waterschappen was het noodzakelijk om deze gegevens bij te houden, om een vast waterpeil te kunnen garanderen en de bemaling hierop af te stemmen. Al vanaf 1733 hielden de Rijnlandse opzichters te Spaarndam (als hobby, buiten de reguliere werkzaamheden om) onder andere de waterstanden, windsterkten, windrichtingen, neerslag en golfslag bij. De metingen werden in 1735 voortgezet in het Huis Zwanenburg, waar de opzichter met hulp van Cruquius begon met het dagelijks vastleggen van deze gegevens, aangevuld met de temperatuur, luchtdruk en luchtgesteldheid. Aan het begin van de 19de eeuw werden hier ook metingen van de dagelijkse boezemstanden bij de vier lozingspunten van Spaarndam, Halfweg, Gouda en Katwijk aan toegevoegd. Het leverde een eerste nauwkeurige reeks op, die vandaag de dag gebruikt wordt in binnen- en buitenland bij het doen van klimatologisch onderzoek.
Tot en met de jaren 1850-1860 hielden de opzichters deze meteorologische waarnemingen bij in het Huis Zwanenburg. Door de droogmaking van het Haarlemmermeer, de aanleg van het Noordzeekanaal en de gedeeltelijke inpoldering van het IJ, was het voor het college niet meer noodzakelijk om het gemeenlandshuis te Halfweg aan te houden. Zodoende werd het pand in 1862 verkocht aan Bartholomeus Lans, die het pand gebruikte als machinehal voor zijn suikerfabriek. Als bijzondere verkoopvoorwaarde stelde het Rijnlandse bestuur de eis dat de voorgevel en de toegangspoort gehandhaafd bleven.
Observatorium in Oude Wetering
Daarbij was Halfweg geen geschikte locatie meer voor het verrichten van weermetingen, omdat het boezempeil niet nauwkeurig kon worden vastgelegd. Het college besloot, met toestemming van de Verenigde Vergadering, om een splinternieuw Observatorium in Oude Wetering te laten bouwen. Het werd voorzien van de beste meetinstrumenten die op dat moment beschikbaar waren. Hierbij schakelde het bestuur onder andere de hulp van C. Buys Ballot, directeur van het in 1854 opgerichte Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), in. De windkracht, winddruk, neerslag, boezemstanden en zelfs verdamping werden nauwkeurig vastgelegd. Om snel informatie uit te kunnen wisselen met het bestuur, werd eerst een telegraaf- en later een telefoonverbinding aangelegd tussen het observatorium en het gemeenlandshuis te Leiden. Op basis van deze gegevens kon men dan besluiten om de bemaling op- of af te schalen.
Afbeelding 3: Observatorium in Oude Wetering, A.J. van der Stok, 1896
Een waarnemer verrichtte de metingen eerst met de hand. Een paar keer per dag wisselde hij of zij gegevens uit via telegrammen of via de telefoon met de boezembeheerder te Leiden. Op den duur werden deze metingen steeds meer geautomatiseerd, door het plaatsen van apparatuur waarbij de boezemstand, neerslag, luchttemperatuur, windsnelheid- en richting automatisch werden gemeten en doorgegeven. Tot en met 1991 bleef het Observatorium door Rijnland in gebruik. , Tussen 1946 en 1980 werd het ook als weerstation gebruikt door het KNMI.
Sindsdien zijn de rollen omgedraaid en maakt Rijnland gebruik van de gegevens van het Weer Informatie Waterbeheer (WIWB): een samenwerking tussen alle waterschappen, het KNMI, het Waterschapshuis, Rijkswaterstaat en STOWA. Net zoals 300 jaar geleden zijn waterschappen afhankelijk van deze weermetingen, om op basis van de (voorspelde) gegevens besluiten te nemen over het peilbeheer en de polderbemaling. Zeker in tijden van klimaatverandering, waarbij steeds extremere weersomstandigheden zullen optreden, zijn deze metingen van levensbelang.
Bronnen
- 1.1.1/11201 “Weerkundige waarnemingen op den huize Zwanenburg”, 1847-1853.
- L. Giebels, Hollands Water. Het hoogheemraadschap van Rijnland na 1857 (Utrecht, 2002).
- J. Riemens, ‘Van bode tot beeldscherm. Facetten van Rijnlands waterbeheer in de 20ste eeuw’, in: L. Giebels (red.), Zeven eeuwen Rijnlandse uitwatering in Spaarndam en Halfweg. Van beveiliging naar beheersing (Leiden, 1994) 145-168.
- KNMI, Zwanenburg metingen
- Het Waterschapshuis, Neerslag – Weer Informatie Waterbeheer