8. Van euforie tot dysforie: droogmakerijen in de 20ste eeuw

Kaart van den Oosteinder-poel gelegen in de gemeenten Aalsmeer en Nieuwer-Amstel, op welke is aangetoond het ontwerp tot droogmaking van die plas, H.P. Eskes, 1864

In de middeleeuwen bestond het westen van Nederland voornamelijk uit onbegaanbare veengrond. Alleen langs de randen van het veen en op hoger gelegen plaatsen kwam bewoning voor. Door de gestage bevolkingsgroei ontstond meer vraag naar (landbouw-)grond. Dit leidde ertoe dat vanaf het begin van de 10de eeuw werd begonnen met de ontginning van het veengebied. Het land werd ontwaterd, waardoor het begaanbaar werd. Vervolgens werd het bewerkt zodat het gebruikt kon worden om gewassen op te verbouwen of om dieren op te weiden. Om het overtollige water af te voeren werden slootjes gegraven die uitmondden op nabijgelegen rivieren en veenstromen.

Op den duur maakte de ontginning plaats voor de turfwinning. Waarbij ontginning plaatsvond om het veen af te graven voor bruikbaar land, stond bij turfwinning het produceren van turf centraal. Turf ontstaat door het natte, opgebaggerde veen te drogen te leggen op legakkers. Het diende als een belangrijke brandstof voor zowel huishoudens als ambachtslieden en industrieën. Door de toenemende bevolkingsgroei en de toenemende industrialisering ontstond steeds meer vraag naar turf, terwijl alternatieven zoals hout steeds schaarser werden.

Vervening veroorzaakt bodemdaling

Het leidde ertoe dat de vervening in een rap tempo werd voortgezet. Zo ontstonden in de 14de eeuw de eerste polders langs de rivier de Gouwe. Door de bodemdaling, een gevolg van de verregaande vervening, werd het steeds moeilijker om de afwatering te garanderen: het maaiveld kwam lager te liggen dan de omliggende watergangen. Om het land te beschermen en de afwatering te bespoedigen werden stukken land omringd met kades. De waterlozing vond plaats door middel van sluizen. Kwam het land nog lager te liggen, dan werden hoosvaten, paardenmolens en (sinds de 15de eeuw) windmolens ingezet. Tijdens de 16de eeuw nam de vervening extreme vormen aan, voornamelijk door turfwinning, waardoor op verschillende plaatsen het grondwaterniveau werd bereikt. Hierdoor ontstonden diepe veenplassen, die op een gegeven moment werden drooggelegd. Het leidde tijdens de Gouden Eeuw tot een heuse droogmakings-euforie, aangewakkerd door het gebrek aan landbouwgrond en de drang om het land te beschermen tegen het water.

Hoe stond Rijnland hier tegenover? Over de grootschalige vervening verkeerde het bestuur in tweestrijd. Enerzijds vormde het een bedreiging voor de waterbeheersing en anderzijds hadden bestuursleden zelf belangen bij het vervenen. Zo verkreeg de dijkgraaf inkomsten uit de turfwinning. Over droogmaking, daarentegen, was men beter te spreken. Dit blijkt onder andere uit de gereglementeerde verveningen uit de 18de eeuw, waarbij de verveners eerst een plan tot bedijking en droogmaking moesten indienen voordat men toestemming kreeg om een gebied te vervenen.

Afbeelding 1: ’t Hooge Heemraedschap van Rhynland – Melchior Bolstra, 1746. Met zwart en blauw zijn de voornaamste verveningsgebieden door Bolstra aangeduid.

Strijd tegen drooglegging

Aan euforie kwam in de 19de eeuw een einde, toen het Haarlemmermeer in 1852 werd drooggelegd en Rijnland ruim 80% van haar waterbergingscapaciteit verloor. Sindsdien was het bestuur niet happig om tot droogmaking van de overgebleven wateren over te gaan. Zodoende vonden er vanaf de tweede helft van deze eeuw bijna geen droogmakingen meer plaats. Desondanks werden in de 19de en 20ste eeuw verzoekschriften ingediend voor de droogmaking van de Oosteinderpoel en Westeinderplassen te Aalsmeer, de Reeuwijkse plassen en een gedeelte van de polder Nieuwkoop en Noorden. Het Rijnlandse bestuur probeerde altijd de boot af te houden, met name bij de plannen voor de droogmaking van de Oosteinderpoel en de Westeinderplassen. Deze verveningsmeren maakten belangrijke delen uit van het restantje boezemwater dat Rijnland nog over had. Zodoende was het bestuur niet geneigd om aan deze plannen mee te werken. Door druk van bovenaf moest het echter akkoord gaan met de droogmaking van de Oosteinderpoel. In het tweede geval verliep het echter anders: het bestuur bleef bij haar standpunt en werd daarin onder andere bijgestaan door de zogenaamde pressiegroepen, die pleitten voor het belang van water voor recreatie en natuurbehoud. Organisaties en clubs, waaronder de schippersvereniging Schuttevaêr, Natuurmonumenten, de Nederlandse Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde en de Koninklijke Motorboot Club, dienden protesten in. Het leidde ertoe dat het plan geen doorgang kon vinden.

Hier tegenover stonden de voorstellen voor droogmaking van de Reeuwijkse plassen en een gedeelte van de polder Nieuwkoop en Noorden. De Reeuwijkse plassen maakten immers geen deel uit van de Rijnlandse boezem en dus had het bestuur hier niks op tegen. Desondanks werd het plan opnieuw tegengehouden door een groep van natuur- en recreatieliefhebbers. De voorgestelde droogmaking in de polder Nieuwkoop en Noorden werd wel gedwarsboomd door Rijnland: niet omdat het een aantasting van de waterbergingscapaciteit vormde, maar omdat de polder minder omslag hoefde te betalen, op basis van een oorkonde uit 1394. Wat deze voorbeelden laten zien is dat het Rijnlandse bestuur na de droogmaking van het Haarlemmermeer niet meteen akkoord ging met het gedane voorstel: de droogmakingseuforie was omgeslagen in dysforie. Bij elk plan werd grondig stilgestaan bij de mogelijke gevolgen voor (de boezem van) Rijnland.

Afbeelding 2: Kaart van den Oosteinder-poel – gelegen in de gemeenten Aalsmeer en Nieuwer-Amstel, op welke is aangetoond het ontwerp tot droogmaking van die plas, H.P. Eskes, 1864.

Hoewel vervening en droogmaking tegenwoordig nauwelijks meer plaatsvinden, ondervinden wij hier nog steeds de gevolgen van. Het Hollandse polderlandschap ligt door de eeuwenlange vervening laag ten opzichte van de rest van Nederland. Daarbij spelen er natuurlijke processen waardoor de grond langzaam inklinkt, waar de mens niet veel tegenin kan brengen. Door extremere weersomstandigheden en zeespiegelstijging, als gevolg van klimaatverandering, kan Rijnland steeds vaker last krijgen van droogte of wateroverlast. Om het laatste tegen te gaan zijn twee piekbergingen aangelegd in de Haarlemmermeerpolder en de Nieuwe Driemanspolder. Hierbij worden gedeelten van de polders bedijkt, zodat overtollig water tijdelijk kan worden opgevangen. Misschien dat deze piekbergingen in de toekomst ook gebruikt kunnen worden om droogte te bestrijden? Dat Rijnland met zijn landschappelijke geschiedenis rekening heeft te houden is wel duidelijk. Wat het hoogheemraadschap precies doet om deze (toekomstige) problemen tegen te gaan, kan je vinden op de pagina ‘Ga jij kopje onder?’.

Bronnen