In 1857 kreeg het hoogheemraadschap van Rijnland een nieuw reglement van bestuur, dat fundamenteel anders was dan alle voorgaande reglementen. Hier ging een lange geschiedenis aan vooraf. In de Grondwet van 1815 werd, zij het wat onduidelijk, bepaald dat de provincies bevoegd waren het initiatief te nemen om de reglementen van waterschappen te wijzigen en vast te stellen.
Pas tegen het midden van die eeuw gingen de provincies hiermee actief aan de slag. Rijnland viel sinds 1840 in zowel de provincie Noord-Holland als Zuid-Holland. Door allerlei staatsrechtelijke ontwikkelingen duurde het meer dan vijftien jaar voordat er een nieuw reglement lag.
Dijkgraaf overbodig?

Om te beginnen werd in 1841 de rechtsprekende bevoegdheid van de waterschappen bij wet afgeschaft. De functie van dijkgraaf, die vooral aanklager van overtreders was, kwam hiermee op losse schroeven te staan. De dijkgraaf was namelijk geen voorzitter van het college, het voorzitterschap vervulden de hoogheemraden bij toerbeurt. De hoogheemraden vonden dan ook dat de dijkgraaf overbodig was geworden en wilden de functie laten vervallen. Een ander discussiepunt dat voortvloeide uit de afschaffing van de rechtspraak was de vraag of waterschappen eigenlijk wel eigen keuren mochten uitvaardigen. In de wet van 1841 was vastgelegd dat de waterschappen politionele bevoegdheden hadden om hun keuren te handhaven. Deskundigen vonden deze regel echter een wassen neus, want volgens hen moest keurbevoegdheid specifiek bij wet worden vastgelegd. Voor provincies en gemeenten werd dit geregeld in de Provinciewet en de Gemeentewet. Een dergelijke wet voor de waterschappen liet echter op zich wachten. Pas in 1895 werd dit probleem opgelost door de inwerkingtreding van de Keurenwet.
Benoeming voor 6 jaar in plaats van voor het leven
In 1857 lag er dan eindelijk een nieuw reglement. Jammer voor de hoogheemraden, maar de functie dijkgraaf bleef gehandhaafd. En deze kreeg ook nog eens een stevige nieuwe rol, als vaste voorzitter van het college. Ook rekende het reglement definitief af met elke vorm van coöptatie die nog was overgebleven. Voortaan werden zowel de dijkgraaf als de hoogheemraden voorgedragen door het college van hoofdingelanden en benoemd door de Kroon. De steden Haarlem en Leiden verloren hiermee hun privilege om hoogheemraden voor te dragen. Dijkgraaf en hoogheemraden werden ook niet meer voor het leven benoemd, maar moesten elke zes jaar aftreden.
Het systeem voor de verkiezing van hoofdingelanden ging ook op de schop. Van getrapte verkiezingen was geen sprake meer. Het beheergebied van het hoogheemraadschap werd verdeeld in zestien kiesdistricten. Alle ingelanden die ten minste één hectare land in bezit hadden waren stemgerechtigd. Per district kozen zij een hoofdingeland en een hoofdingeland-plaatsvervanger. Zo ontstond dus een college van hoofdingelanden dat uit zestien personen bestond; voor elk van hen was een plaatsvervanger beschikbaar. Voortaan werd dit college aangeduid met Verenigde Vergadering. Zij vormde het algemeen bestuur van het waterschap, dat verantwoordelijk was voor de vaststelling van het beleid. Om dit tot uitdrukking te brengen werden besluiten voortaan getekend door de dijkgraaf en de secretaris, in plaats van door de hoogheemraden.
Klaar voor de toekomst
Met dit nieuwe reglement was het hoogheemraadschap klaar voor de toekomst. Maar in de 20ste eeuw kwamen er veranderingen, die opnieuw bestuurlijke hervormingen noodzakelijk maakten. Vooral in de tweede helft van die eeuw kreeg het bestuur een heel ander aanzien door de introductie van andere belangengroepen.
Afbeelding 1: Stembus van Rijnland, 20ste eeuw. NL-LdnHHR, Collectie kunst- en gebruiksvoorwerpen, KGV-000449
Afbeelding 2: Het college van Rijnland bijeen in de Rode Zaal van het gemeenlandshuis aan de Breestraat in Leiden. Foto A.J. van der Stok, 1896. NL-LdnHHR, Collectie foto’s, FOTO-001581