Rivierkaarten
Onder het kopje ‘waterschapsgrenzen’ werd aangegeven dat Rijnland, als overkoepelende instantie, zijn taken uitvoerde binnen het begrensde beheergebied. De Rijnlandse boezem werd zodoende (juridisch) afgescheiden van de omliggende waterschappen door middel van de landscheidingen. Dit betekent echter niet dat het Rijnlandse bestuur alleen maar gericht was op zijn eigen beheergebied. Op sommige momenten trad het hoogheemraadschap buiten zijn eigen oevers.
Elke handeling of gebeurtenis die in omliggende waterschappen of provincies plaatsvond had namelijk gevolgen voor de Rijnlandse boezem. Daarbij waren de Hollandse waterschappen (specifiek Rijnland, Delfland en Schieland) uiterst beducht voor nalatig waterbeheer stroomopwaarts. Een dijkdoorbraak langs één van de grote rivieren kon namelijk veel schade aanrichten in het lager gelegen polderlandschap. Volgens P.W.J. van den Brink wierpen de hoogheemraadschappen ‘zich op als de verdedigers van het Hollandse polderland dat door haar lage ligging ten opzichte van zee en rivier van alle kanten bedreigd werd.’[1]
Zorgen om rivierdijken buiten het beheergebied
In de 18de eeuw werd angstig gekeken naar de situatie in het Nederlandse rivierengebied. Door extreme weersomstandigheden waren in geheel Europa al verschillende rivieren buiten hun oevers getreden. Ook in de Republiek werden hoge waterstanden gemeten. Het was slechts een kwestie van tijd voordat hier ook overstromingen zouden plaatsvinden. Het Rijnlandse bestuur was vooral bang dat de dijken langs de rivier de Lek het op ieder moment konden doorbreken.
De hoge waterstanden in de Lek spoorden Rijnland aan tot actie. De Lekdijken lagen niet alleen buiten de jurisdictie van het hoogheemraadschap, maar zelfs gedeeltelijk in een andere provincie. Het Rijnlandse bestuur probeerde de betrokken instanties op allerlei manieren in te laten zien dat een doorbraak in dit gebied enorme gevolgen zou hebben. Zo werden, onder andere, verschillende kaarten vervaardigd die het watergevaar voor de provincies Holland, Utrecht en Gelderland moesten weergeven. In opdracht van het Rijnlandse bestuur vervaardigden toeziener Cornelis Velsen en landmeter Melchior Bolstra een kaartje waarop werd aangegeven welke gebieden te maken kregen met wateroverlast als gevolg van de hoge waterstanden in de Lek. Op de kaart werden ook de plekken aangegeven waar recent een dijkdoorbraak had plaatsgevonden (aangeduid met de letters A-I).

Figuur 7: Kaart van den loop der rivieren de Rhyn, de Maas, de Waal, de Merwe, en de Lek, door de provincien van Gelderland, Holland en Utrecht ; Kaart, tot aanduyding van Hollands en Utrechts watergevaar van wegens het afkomend boven water op de Lek met de hulpmiddelen, vervaardigd door Cornelis Velsen en Melchior Bolstra, 1749. NL-LdnHHR, Collectie kaarten, A-1879.
De situatie in het rivierengebied bleef lang een probleempunt. De dreiging van een doorbraak en de mogelijke gevolgen voor Rijnland, leidden er toe dat landmeters zich intensief gingen bezighouden met rivieren en rivierdijken buiten het Rijnlandse beheergebied. Zodoende zijn verschillende kaarten van het rivierengebied opgenomen in de kaartencollectie.

Figuur 8: Kaart van de rivier de Lek met zyn uiterwaarden noorder en zuider dyken van de Merwede beneden Krimpen, tot het Schoor van Hagestein boven Vianen, vervaardigd door Melchior Bolstra, 1764. NL-LdnHHR, Collectie kaarten, A-1891.
Daarbij werden de Rijnlandse landmeters ook door andere personen en instanties ingeschakeld om hen van kaartmateriaal te voorzien. Zo vervaardigde Melchior Bolstra enkele kaarten van de rivier de Merwede en de Maas in opdracht van de Staten van Holland en West-Friesland. Deze kaarten zijn opgenomen onder de nummers A-0025 tot A-0027.
[1] Brink, P.W.J. van den, ‘In een opslag van het oog’. De Hollandse rivierkartografie en waterstaatszorg in opkomst, 1725-1754 (Alphen aan den Rijn, 1998) 88.