Omgevingswet en Gedragscode Soortenbescherming
Met droge voeten als een van onze hoofdtaken, kunnen wij nooit helemaal voorkomen dat er verstoring optreedt aan planten en dieren in en om het water. Wij doen er alles aan om schade aan het leefgebied van beschermde dieren te beperken. Daarbij houden wij ons aan de wettelijke voorschriften en hanteren we een speciale gedragscode.
Beschermen van wilde dieren en planten
Het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL) - onderdeel van de omgevingswet - gaat over het beschermen van wilde dieren en planten in Nederland. Het uitgangspunt: in de buurt van alle in het wild levende planten en dieren gaan we natuurvriendelijk te werk. Werkzaamheden die het voortbestaan van beschermde planten en dieren in gevaar brengen, zijn verboden. Als iemand toch werkzaamheden wil uitvoeren, moet er een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie.
Gedragscode Soortenbescherming
Als waterschap hebben wij veel te maken met werkzaamheden in en om het water. Bijvoorbeeld als we onze vaarten, sloten, dijken, sluizen en gemalen onderhouden. Tijdens ons werk kunnen planten en dieren verstoord worden. Daarom hebben waterschappen een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit binnen het BAL nodig. De Gedragscode Soortenbescherming is een vorm van zo’n vergunning. Alle waterschappen in Nederland werken volgens deze gedragscode. Hierdoor hoeft niet apart voor elke klus een omgevingsvergunning worden aangevraagd.
De Gedragscode Soortenbescherming is sinds 1 april 2025 vernieuwd. De belangrijkste (nieuwe) regels staan hieronder.
- Onderhoud wordt zoveel mogelijk gedaan in de voorkeursperiode (15 juli t/m 1 november). En we starten zo laat mogelijk in het jaar met het onderhoud.
- We onderhouden niet vaker dan nodig. We maaien nog maar één kant van het droge talud (de schuin aflopende waterkant) per jaar. Het jaar daarop maaien we de andere kant. Dat ziet er anders uit dan voorheen toen we beide kanten tegelijk maaiden. (nieuw)
- We maaien alleen het deel van de watergang (sloot of vaart) dat strikt noodzakelijk is voor de aan- en afvoer van water. Dat betekent dat meer planten blijven staan in de watergang, vooral langs de kant (nieuw).
- Na het maaien wordt het grove maaisel uit de sloot en van de kant op het naastgelegen land gelegd. Klepelen (fijnhakken van maaisel) mag daar niet meer (nieuw).
- Het grove maaisel blijft zichtbaar liggen op het land. Als aangeland heeft u ontvangstplicht. U mag het maaisel zelf afvoeren als u dat wilt. U bent aangeland als u de eigenaar of gebruiker bent van grond die een halve meter naast het begin van het droge talud ligt (nieuw).
Vraag en antwoord
Een watergang is een sloot, vaart of kanaal.
Het droge talud is de schuin aflopende waterkant tussen het land en het water.
Een aangeland is de eigenaar of gebruiker van grond die langs een watergang ligt. Het gaat om de grond die een halve meter naast het begin van het talud ligt (de insteek), zoals aangegeven in de legger oppervlaktewater.
In de legger oppervlaktewater van Rijnland kunt u zien of u onderhoudsplichtig bent en wat dat inhoudt. Voor het maaien van het droge talud is op dit moment de grondeigenaar verantwoordelijk (soms is dat Rijnland), tenzij anders afgesproken. De verwachting is dat het maaien van het droge talud de verantwoordelijkheid wordt van de aangeland, zoals in de legger beschreven. Rijnland zal het droge talud dan niet meer maaien.
Voor het aan- en afvoeren van water is niet altijd de hele breedte van de watergang nodig. Watergangen moet je zien als buizen waar het water doorheen stroomt om het van A naar B te vervoeren. Soms is de buis groter dan nodig en kunnen we meer planten laten staan. In andere gevallen is soms de hele buis nodig om al het water af te voeren. Per watergang is gekeken in hoeverre de hele watergang of slechts een deel nodig is. Dat doen we op basis van een berekening én de praktijkervaring van onze watersysteembeheerder.
Volgens de Gedragscode Soortenbescherming moet er minimaal 25 cm aan planten blijven staan. Zo blijft er leefgebied over voor (beschermde) plant- en diersoorten. Eerder was het alleen verplicht om planten te laten staan als er beschermde soorten aanwezig waren. Dit ging om 25% van de breedte van de watergang. Nu moet altijd minimaal 25 cm blijven staan. Zijn er beschermde soorten? Dan moeten we soms nog meer planten laten staan.
Voor het droge talud geldt dat er om het jaar gemaaid wordt (het ene jaar de ene kant van de watergang en het andere jaar de andere kant).
Soms is voor het aan- en afvoeren van water de hele breedte van de watergang nodig. In dat geval verwijdert Rijnland wel alle planten.
Volgens de nieuwe gedragscode mag Rijnland niet meer overal klepelen. Klepelen is het fijnhakken van begroeiing met een machine die ronddraaiende klepels gebruikt. Hierdoor bleef het maaisel niet zichtbaar liggen.
Als eigenaar van de grond naast een watergang bent u aangeland en heeft u ontvangstplicht. Dat betekent dat wij het grove maaisel uit de sloot op uw land leggen en laten liggen. Wilt u dit maaisel niet op uw land laten liggen? Dan bent u zelf verantwoordelijk om het af te voeren.
Heeft u vragen, klachten of meldingen over de nieuwe manier van onderhoud? Neem dan contact op met het Klantcontactteam van Rijnland via (071) 306 35 35 of info@rijnland.net. Eind 2025 vindt een landelijke evaluatie plaats van de Gedragscode Soortenbescherming.
Als Rijnland het onderhoud aan de watergang doet, kunt u dit melden aan het Klantcontactteam van Rijnland via Formulier meldingen en incidenten of telefonisch via (071) 306 35 35. In de legger oppervlaktewater kun je vinden wie het onderhoud aan een watergang doet.
Voor kleinere watergangen (overig water) is de agrariër vaak zelf onderhoudsplichtig. Waterplanten mogen dan weggehaald worden door de agrariër. In de legger oppervlaktewater is aangegeven wie het onderhoud uitvoert per watergang en hoeveel procent waterplanten hier mag blijven staan. Rijnland moedigt onderhoudsplichtigen aan om het percentage planten dat in de legger staat, in de watergang te laten staan. Dit is goed voor de biodiversiteit.
Nee, we laten alleen meer planten staan als er plek over is in de watergang. Het land wordt hier dus niet natter van.
Alleen Waterschappen (of partijen die werken in opdracht van de Waterschappen) mogen werken mogen onder de gedragscode. Voor anderen geldt de landelijke wetgeving met mogelijk een vergunningsplicht.
Vraag en antwoord over baggeren in flora en fauna tijd
Bagger bestaat uit afgevallen bladeren en aangevoerd slib. Als we dit laten liggen, raken de sloten verstopt en wordt de waterstroom verstoord. Het baggeren van sloten draagt bij aan een verbetering van de waterkwaliteit en de aan- en afvoer van water. Door regelmatig de watergangen te baggeren, voorkomen we wateroverlast en dragen we bij aan een aangename leefomgeving voor mensen, dieren en planten.
De broedperiode van vogels loopt van februari t/m augustus. Indien er beschermde amfibieën zijn, met uitzondering van de rugstreeppad, is het toegestaan om werkzaamheden uit te voeren tussen september en 1 februari. In Natura2000 gebieden kunnen gebied specifieke beperkingen gelden voor de uitvoeringsperiode van onderhoudswerkzaamheden.
Omdat baggeren met de juist voorzorgsmaatregelen goed mogelijk is zonder schade toe te brengen aan beschermde flora en fauna. Door met regelmaat te baggeren, verbeteren we de opslag- en doorstroming capaciteit en de waterkwaliteit van een watergang. Door te werken volgens de gedragscode Wet Natuurbescherming brengen wij geen schade toe aan beschermde flora en fauna en blijft het watersysteem op orde.
De Gedragscode Wet Natuurbescherming - onderdeel soortbescherming is op 22 januari 2019 goedgekeurd door de Minister van LNV. Door te werken volgens deze gedragscode zijn waterschappen voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud vrijgesteld van een ontheffingsaanvraag soortbescherming.
Het onderhoud baggeren van wateren is een handeling die onder de gedragscode valt. Jaarrond baggeren is toegestaan onder voorwaarden. Deze voorwaarden zijn overgenomen in het Rijnlandse werkprotocol ‘soortbescherming cluster baggeren’ (19.066479).
Voordat de werkzaamheden beginnen, wordt een quickscan Flora-Fauna uitgevoerd om gebied specifieke beperkingen en informatie over verspreiding van soorten te verzamelen. Veldwaarnemingen tijdens het inpeilen en de kwaliteitsbepaling worden toegevoegd aan de quickscan.
Tijdens het broed- en paaiseizoen (15 maart - 15 juli) wordt voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd of er broedende vogels en nesten aanwezig zijn in water of aan de oevers. Deze inspectie wordt uitgevoerd door een onafhankelijk ingehuurde inspecteur die ten minste op niveau 1 gecertificeerd is volgens de gedragscode Wet Natuurbescherming.
Voorbeeld:
Indien nesten worden aangetroffen, worden ze kort voor aanvang van de werkzaamheden gemarkeerd en wordt er een bufferzone van tien meter rondom het nest ingesteld waarin niet gewerkt wordt. Als het niet mogelijk is om voldoende afstand tot het nest te bewaren, worden de werkzaamheden uitgesteld. Na afronding van de werkzaamheden wordt de markering direct verwijderd om predatie door kraaien of vossen te voorkomen.
Waar mogelijk wordt bagger en plantenresten op de kant afgezet. Als dit niet mogelijk is, worden ze verzameld en afgevoerd. Hierbij wordt rekening gehouden met het behoud van kwetsbare plantensoorten en nesten of winterverblijfplaatsen van grondgebonden dieren, zodat deze zo min mogelijk worden verstoord.
- Machines rijden stapvoets (5 km/u) langs de watergang en over onverhard, begroeid terrein zodat kleine dieren de kans krijgen om zich tijdig te verplaatsen.
- Wij werken in één richting, indien mogelijk vanaf de dichte zijde naar het open water, om vissen en andere dieren niet in te sluiten en de mogelijkheid te geven om te vluchten.
- Wij voeren werkzaamheden uit in de daglichtperiode, zonder gebruik te maken van kunstlicht om verstoring van vleermuizen en andere dieren te voorkomen.
- Watergangen worden uitsluitend gebaggerd wanneer de watertemperaturen lager is dan 25 graden Celcius of wanneer er een maximale ijslaag van 3 centimeter aanwezig is, om zuurstofloosheid te voorkomen.
In 2020 is voor het eerst gewerkt in de flora- en faunaperiode volgens het werkprotocol, en uit de evaluatie is gebleken dat dit geen schade heeft veroorzaakt.
De algemene zorgplicht is van toepassing op alle locaties, dus ook op locaties waar het gebruik van de gedragscode niet vereist is omdat er geen juridisch beschermde soorten aanwezig zijn. Op locaties waar wel juridisch beschermde soorten voorkomen, wordt het gebruik van de gedragscode beschouwd als een manier om invulling te geven aan de algemene zorgplicht.
Door ook in het F&F seizoen te baggeren verbeteren we continue de waterkwaliteit. Hierdoor kunnen de dieren en planten beter groeien en bloeien.