Het gebied dat vandaag de dag onder Rijnland valt, vormt een wereld van verschil met dat vóór de totstandkoming van het hoogheemraadschap in de dertiende eeuw. Toen bestond het landschap nog voornamelijk uit onbegaanbare veengrond. Vanaf de tiende eeuw werd het ontgonnen om ruimte te maken voor bewoning, landbouw en veeteelt. Ook daarna werd het veen afgegraven in de zoektocht naar turf als brandstof. De gevolgen voor het Rijnlandse gebied waren enorm: binnen enkele eeuwen was het woeste veenlandschap vrijwel volledig verdwenen. Daarvoor in de plaats ontstonden laaggelegen polders en droogmakerijen.
Ontginning en turfwinning vormen treffende voorbeelden van de relatie tussen mens en natuur. Vaak wordt aan deze menselijke ingrepen het ontstaan van georganiseerd waterbeheer in Nederland toegeschreven. Toch zou je kunnen stellen dat de beginselen daarvan veel verder in de geschiedenis terug te vinden zijn. In het kader van de Maand van de Geschiedenis, met het passende thema ‘Natuurlijk’ (zie: Thema Natuurlijk - Maand van de Geschiedenis), keren we terug naar het begin van de jaartelling. Dit doen we aan de hand van een gedicht van Hendrik Swaan, lid van het algemeen bestuur van Rijnland.
Het gedicht is getiteld ‘Beschouwing van Rijnlands deugden, rijkdom en wording’. Waarom Swaan het schreef en of het te maken heeft met een ander gedicht van zijn hand is onduidelijk. Het was niet ongewoon dat de hoofdingeland zich af en toe uitdrukte met behulp van rijmschema's. Dat blijkt wel uit een artikel dat eerder in de reeks Archiefstuk in beeld verscheen (zie: Tegen de schroefboot). In dit gedicht liet Swaan zich negatief uit over de verordening op de Gouwekaden en specifiek over de gevolgen van stoomvaart op de Gouwe. In het geval van de ‘Beschouwing’ vatte Swaan niet de pen om zijn zorgen op papier te zetten, maar om zich te wijden aan iets positiefs. Het resultaat: een ode aan de grasplant.
In het gedicht beargumenteerd de hoofdingeland dat de rijkdom van het Rijnlandse gebied niet toe te schrijven is aan mineralen, zijde of druiven, maar aan het gras dat zowel volk als vee voedt. Een teder, nietig en simpel plantje, dat de basis vormt voor alle landbouw en veeteelt in de regio. Swaan vraagt zich vervolgens af waar dit plantje eigenlijk vandaan komt. Zoals gezegd bestond het gebied dat later onder Rijnland zou vallen – toen de Bataven en Romeinen het gebied nog bewoonden – grotendeels uit veen. Waar het ooit één groot moeras was, was het door ontginning en later vervening en bedijking omgevormd tot een veenweidelandschap.
Beschouwing van Rijnlands deugden, rijkdom en wording
Rijnland mag geen’ mijnen hebben, waar men goud of zilver vind.
Rijnland kan geen boomen kweken, waar de worm de zijd’ uitspint.
Rijnland ziet geen druiven groeijen, druiven vol van zoeten wijn.
Rijnland weet toch wat te noemen al, al is het nog zoo klein.
Rijnland kan de Grasplant roemen, 't wonder plantje der natuur.
Rijnland, o dat groene plantje, geeft U alles op den duur.
Rijnland van dat teêd're plantje, krijgt gij meer dan gij vermoedt.
Rijnland van dat nietig plantje, word Uw volk en vee gevoed.
Rijnland van dat simple plantje, krijgt gij meer dan gij wel weet.
Rijnland van dat broze plantje, hebt gij 't warme wollen kleed.
Rijnland van dat krachtig plant, krijgt gij alles op Uw disch.
Rijnland ja dat wonder plantje, geeft de smaak en geur aan Visch.
Rijnland O! dat ligte plantje, is voor U van 't grootst gewigt.
Rijnland dankt toch voor dat plantje, 't goud is bij Uw Grasplant ligt.
Rijnland, Hoe komt g’aan dat plantje? Eenmaal waart gij een Moeras.
Toen Bataven met hun have woonden daar een Terpje was.
Rijnland, ziet in de historie van Uw dierbaar Vaderland.
Dan zult gij het ligt ontwaren hoe Uw grasplant kwam tot stand.
Rijnland dan zult gij vernemen wie er uit het zuiden kwam.
En de oorzaak ook begrijpen dat bedijking aanvang nam.
Rijnland, d’oorlog der Romeinen met de Britten, bragt het meê,
Dat Romein om zich te legeren stelde paal en perk aan Zee.
Rijnland, Drusus is merkwaardig door het graven van een gracht,
En door die dijken die Hij maakte met behulp zijns legermacht.
Rijnland, hadt gij kunnen denken dat een oorlog noodig was.
Tot het groeijen van de Grasplant en het droogen eens Moeras.
Rijnland dankt dus ’t Opperwezen voor den oorlog der Romein’.
Hierdoor kan Uw Grashalm groeijen, droog en tierig aan den Rijn.
Rijnland bidt het Alvermogen voor ‘t behoud van dijk en dam.
O! Uw volk, was ongelukkig als de Zee Uw Grasmijn nam.
Rijnland dankt den Heer der Heeren, als Uw Vee de stal verlaat.
En de grasplant door zijn Almacht volop in het weiland staat.
Rijnland, nog een enkel woordje. Ééne mijn word eenmaal hol,
Ééne mijn word eenmaal ledig al, al was zij over vol.
Rijnland maar Uw Mijn, Uw Weiland wordt het geven nimmer moê,
Dat getuigd de nijv're Landman en verzekerd U, de Koe.
Wie het gedicht aandachtig leest of de bijgaande notitie doorneemt, komt er snel achter dat de grasplant eigenlijk niet het hoofdonderwerp is. Het gaat Swaan vooral om de eerste vormen van waterbeheer. Hij vindt de oorsprong daarvan terug in de tijd van de Romeinen, toen zij fortificaties langs de Rijn oprichtten. Met name generaal Drusus Claudius Nero wordt geroemd voor het aanleggen van kanalen en dijken in zijn strijd tegen Germaanse volksstammen of de ‘oorlog tegen de Britten’, zoals Swaan het omschrijft. Het is aan de militaire ondernemingen van de Romeinen te danken dat de ingelanden in de negentiende eeuw van de grasplant en de daaruit voortvloeiende welvaart kunnen genieten.
In de notitie gaat Swaan iets meer in op de literaire keuzes die hij voor zijn gedicht heeft gemaakt. Zo geeft hij aan dat in de Nederlandse geschiedschrijving van die tijd niet aan bod komt wanneer men zich voor het eerst bezig ging houden met ‘het daarstellen van rivier en zee dijken’. Zelf kiest hij voor de Romeinse tijd. Het hadden net zo goed de Franken of andere volkeren kunnen zijn. Hoewel de hoofdingeland het jammer vindt dat het niet duidelijk is wie hiervoor bedankt moest worden, stelde hij zich wel voor dat diegene het negentiende-eeuwse Rijnland met verbazing zou hebben bekeken. De transformatie was alleen mogelijk geweest door de drooglegging van het veenlandschap en de opkomst van het gras. Zowel de landman als de koe zouden van dit gras nooit genoeg krijgen.