Tegen de schroefboot

Tegen de schroefboot

Tot ver na de Franse tijd domineerden zeilschepen de Hollandse binnenwateren. In het midden van de 19de eeuw kreeg het zeilschip er een concurrent bij: een mechanisch aangedreven vaartuig dat schroefstoomschip of kortweg schroefboot werd genoemd.

Deze door middel van stoomkracht voortbewogen vaartuigen voeren ook in de Rijnlandse boezemwateren, zoals de Gouwe. Voor de mobiliteit was de schroefboot een grote stap vooruit. Onafhankelijk van windrichting kon nu met een vrij constante snelheid worden gevaren. Vanuit het perspectief van het beheer van de boezem was de opkomst van deze boten een bron van zorg. De krachtig draaiende schroef zorgde voor een flinke waterverplaatsing, waardoor oevers en beschoeiingen werden aangetast. Er waren maatregelen nodig om het varen met stoomboten en het boezembeheer goed op elkaar af te stemmen.

In 1858 droegen Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aan Rijnland op een verordening op de Gouwekaden te maken. In deze verordening, voluit Verordening ter verzekering van het goed onderhoud der Gouwe-kaden en van de onbelemmerde waterlozing langs de Gouwe geheten, werd ook een paragraaf opgenomen over het varen met stoomboten. Zo werd een maximum gesteld aan de vaarsnelheid en moesten de bevelvoerders zich ‘met betrekking tot de oeverwerken gedragen naar hetgeen in het belang der werken, door den beambte met het toezigt over die werken belast, bevolen wordt’. Het regende reacties van besturen en ingelanden van polders op het eerste ontwerp van de verordening. Voor velen was alleen de nuloptie bespreekbaar.

De kritiek bleef niet beperkt tot mensen die op enige afstand tot Rijnland stonden; ook vanuit de kringen van het algemeen bestuur van Rijnland zelf rees verzet tegen de verordening, ongeacht de maatregelen die waren opgenomen om de schadelijke gevolgen voor de kaden tot een minimum te beperken. Hendrik Swaan, hoofdingeland-plaatsvervanger voor het negende kiesdistrict van Rijnland, riep in een met emoties geladen gedicht zijn collega-hoofdingelanden op stoomboten toch vooral niet toe te staan in Rijnlands wateren. Deze ‘helsche machiene’ is een bederf voor sluizen en kaden en zelfs voor de burgerstand. ‘Ziet hem woelen, knagen…’. Wat de ene dag gerepareerd is, is de volgende dag weer weggeslagen. Het toestaan van de schroefboot is beslist niet in het belang van de ingelanden. Swaan, grondbezitter in vijf Rijnlandse polders, kon het weten. Hij adviseerde de heren eens met de schroefboot mee te varen en met eigen ogen te zien wat de gevolgen waren voor de kaden. Het poëtisch verzet mocht echter niet baten; de verordening werd vastgesteld en de schroefboten bleven de Gouwe bevaren. Of de gevolgen echt zo desastreus waren voor de kaden? Er is in ieder geval geen doorbraak bekend als gevolg van langsvarende stoomboten. In de praktijk voldeed de verordening blijkbaar prima. Wellicht zaten er in het verzet ook elementen van angst voor het onbekende. Het eerste stoomgemaal, zoals dat in het laatste kwart van de 18de eeuw in Rotterdam werd ontwikkeld, kon op een vergelijkbare emotionele afwijzing rekenen.

Afbeelding van een deel van het gedicht van hoofdingeland-plaatsvervanger
 Hendrik Swaan  (NL-LdnHHR_1.1.2_1428_00001)

Weledele Heeren!

(a)      Na het lezen der Verordening

Op de Gouwe, en zoo voort

Moet ‘k als ingeland nog eens zeggen

’t bestaan der boot is ongehoord

(b)    Heeren! Die hier zijn vereenigd

Gij allen hebt een eed gedaan

Om te maken goede keuren

Waardoor Rijnland ’t wel kan gaan

(c)     H.H.! kan het mogelijk wezen

Dat het Rijnland goed kan gaan?

Als gij, door een helsch machiene

Dijk en dammen weg laat slaan.

(d)    H.H.! volgens elks gevoelen

Is de schroefboot in ons land

Een bederf voor sluis en kade

En voor Rijnlands burgerstand

(e)    H.H.! ziet hem woelen, knagen

In de Gouwe, Aar en Rijn.

Wat men gister aan kade maakte

Is weer heden kort en klein

(ee)     H.H.! vaart eens met dat monster

O! dan ziet gij, dat is wis

Dat hetgeen ik u vertelle

Geenzins een verdichtsel is

(f)     H.H.! vraagt eens de commissie

Over Amstel, Vaart en Aar

Wat zij niet aan puin en wiepen

Moet besteden telken jaar

(ff)    Hoeveel kosten zij niet hebbe

Om te vullen menig gat

Dat de schroefboot onder water

In hun weg gevreten had

(g)     Heeren! ’t Heil van Rijnlands boorden

Is uwe edelen toevertrouwd

Vorst en boer steunt op uw kunde

Hoopt dat gij, uwe eeden houdt

(h)    H.H.! Ziet uit eigen oogen

Eer gij spreekt in Rijnlands zaal

Laat geen ingenieur u leiden

Door theorie of kamertaal

(i)     Heeren! Onderzoek de kaden

Vaart eens met de schroefboot mee

Dan volbrengt gij uwe roeping

En voldoet aan ingelands bee

…      

’t Oude Rijnland is een koetje

Dat den staat veel melk geeft

’t Is dus voor den staat voordeelig

Dat dat beesje rustig leeft

’t Vruchtb’re Rijnland is het puikje

’t neusje van oud Nederland

Wie mij zulks mogt tegenspreken

Weiger ik mijn rechte hand.

Heeren! Is het dus een wonder

Dat de vorst die ons regeerd

Door uw kunde en uw eeden

Rijnlands heil van u begeerd.