Dijken langs het IJ. Te laag of te hoog?

Dijken langs het IJ. Te laag of te hoog?

Het idee dat Nederlanders altijd schouder aan schouder stonden om zichzelf en hun buren te beschermen tegen hoogwater is onjuist. Integendeel: soms probeerde men gedaan te krijgen dat andermans dijken laag bleven of verlaagd werden om daardoor zelf minder risico te lopen bij hoge vloeden. Het ging hierbij niet om particulieren, maar om overheden die elkaar dwars zaten. Ook langs het IJ kwam dit voor. Rijnland heeft hier onder geleden, maar probeerde zelf ook ten koste van anderen zijn eigen veiligheid te vergroten.

Afbeelding 1: Het gebied tussen Haarlem, Spaarndam en Santpoort na de aanleg van de Slaperdijk tussen de twee laatstgenoemde dorpen. Detail uit de overzichtskaart van Rijnland uit 1647 (HHR, Collectie kaarten, A-4270).

In de 13de eeuw ging van de Zuiderzee en het daarmee in verbinding staande IJ een steeds grotere bedreiging uit. Om het land ten zuiden van het IJ te beschermen kwam langs de zuidoever van deze zeearm een waterkering tot stand en werd het Spaarne afgedamd. Het toezicht op de dijk en de dam berustte bij een college van bestuurders, heemraden genaamd, dat ook toezicht hield op de afwatering van het gebied langs de Oude Rijn. Uit dit college groeide in de volgende eeuwen het hoogheemraadschap van Rijnland. 

De Rijnlandse waterkering langs het IJ omvatte de Spaarndammerdijk van de rand van Amsterdam tot de monding van het Spaarne, de dam in het Spaarne met de daarin liggende sluizen en de Schinkeldijk tussen de Spaarndam en het punt waar deze dijk aansloot op de Velserdijk. Daar eindigde het gezag van Rijnland. Het onderhoud van deze waterwerken was eerst verschillend geregeld. De Spaarndammerdijk werd onderhouden door de eigenaren van aan de dijk grenzende landerijen. De Rijnlandse hoogheemraden oefenden daarop toezicht uit. De Spaarndam met de sluizen en de Schinkeldijk werden gezamenlijk onderhouden door alle dorpen binnen Rijnland. Omdat het onderhoud van de Spaarndammerdijk door eigenaren van aangrenzende percelen tot veel problemen leidde, werd dit onderhoud in de 16de eeuw door het hoogheemraadschap overgenomen. 

In 1600 was het onderhoud van de Rijnlandse IJ-dijken tussen Amsterdam en het punt waar de Schinkeldijk aansloot op de Velserdijk goed geregeld. Het onderhoud van de Velserdijk, een lage dijk die niet onder toezicht van Rijnland stond, liet daarentegen te wensen over. Als het water van het IJ eroverheen stroomde, liepen Rijnlandse landerijen tot bij Haarlem onder water. Het hoogheemraadschap kon hier niets tegen toen; het had immers geen gezag over de Velserdijk. 

In 1622 had Rijnland er genoeg van. Om het land bij Haarlem tegen hoog water in het IJ te beschermen besloot het hoogheemraadschap een zogenaamde slaperdijk te leggen tussen de Schinkeldijk en Santpoort. Dit was tegen de zin van Amsterdam. De stad had geen enkel belang bij een goede waterkering ten westen van Spaarndam. Bij hoge waterstand in het IJ was het voor Amsterdam juist gunstig als de omgeving van Haarlem onder water liep. Dat verminderde de kans op overstroming van Amsterdam. De stad spande een proces aan tegen Rijnland, maar uiteindelijk besloten beide partijen om hun geschil door onderhandeling op te lossen. Het resultaat was dat Rijnland de slaperdijk mocht aanleggen, maar dat die slechts een beperkte hoogte mocht hebben. Dat was niet voldoende om het land tegen overstroming te beschermen en dat zou later herhaaldelijk blijken. Amsterdam had echter de macht om Rijnland haar wil op te leggen en deed dat ook. Een poging van het hoogheemraadschap om de slaperdijk na een overstroming in 1666 te verhogen leidde zelfs tot dreiging van militair optreden door Amsterdam. 

Na de Kerstvloed van 25 december 1717 die ten noorden van het IJ tot doorbraak van de Assendelverdijk en Sint Aagtendijk leidde, werden beide dijken ingrijpend verbeterd. Dit trok de aandacht van Rijnland. Vanuit Rijnlands gezichtspunt betekende verhoging van de dijken aan de noordkant van het IJ verhoging van de druk op zijn eigen dijken. Bij het bestuur van Rijnland leefde de gedachte dat de dijken aan de noordzijde van het IJ altijd lager moesten zijn dan die aan de zuidzijde, omdat eerstgenoemde dijken in de luwte (‘aan de opperwal’) lagen en minder van storm te lijden hadden dan de dijken van Rijnland. De toezieners te Spaarndam en Halfweg, beiden belast met het toezicht over de waterkering langs het IJ, en de Rijnlandse landmeter werden door de hoogheemraden op pad gestuurd om de hoogte van de dijken langs het IJ, zowel aan de zuidkant als aan de noordkant, op te meten. Hun conclusie was duidelijk: Assendelverdijk en Sint Aagtendijk konden verlaagd worden, zonder dat dit ten noorden van het IJ veel problemen zou opleveren. Omdat een verlaging van de Assendelverdijk tot ongerustheid aanleiding kon geven, hadden zij nog een alternatief bedacht: de Assendelverdijk niet verlagen, maar de Sint Aagtendijk en een na 1717 aangelegde verbindingsdijk tussen beide dijken net zo laag maken als de Rijnlandse slaperdijk ten westen van Spaarndam. 

Voorlopig gebeurde er niets. Een tweede Kerstvloed in 1731 maakte de kwestie weer urgent. Alle dijken langs het IJ hielden het, maar de Rijnlandse slaperdijk ten westen van Spaarndam stroomde, zoals zo vaak, weer over. Bovendien had de Spaarndammerdijk meer schade opgelopen dan in 1717. Weer werden metingen verricht aan de dijken ten noorden en ten zuiden van het IJ. Bovendien probeerde Rijnland de stadsbesturen van Leiden, Haarlem en Amsterdam mee te krijgen in zijn streven om aan de noordkant van het IJ een dijk zo te verlagen dat die net zo hoog was als de Rijnlandse slaperdijk. Het leidde tot niets. Rijnland moest er mee leven dat zijn te lage slaperdijk regelmatig overstroomde.

 

Afbeelding 2: Het verhogen van de Slaperdijk in 1806. Aquarel door A. Hanegraaff (HHR, Collectie prenten en tekeningen, PRT-0009).

 

Afbeelding 3: Portret van F.W. Conrad (1769-1808), leerling en opvolger van Christiaan Brunings. Zijn activiteiten gaven uiteindelijk de doorslag bij de verlening van toestemming aan Rijnland om de Slaperdijk op de vereiste hoogte te brengen (HHR, Collectie prenten en tekeningen, PRT-0001).

In 1806 werd het probleem opgelost. De Rijnlandse slaperdijk mocht verhoogd worden. Amsterdam verzette zich fel, maar moest het onderspit delven. Dat dit op dat moment kon, was geen toeval. In 1765 was Christiaan Brunings toeziener van Rijnland in Halfweg geworden. Hij verrichte nog veel andere taken op waterstaatsgebied en werd in 1798 hoofd van de in dat jaar opgerichte nationale waterstaatsdienst. Hij bleef daarnaast in dienst van Rijnland. Brunings maakte goed gebruik van de veranderde politieke situatie. De oude Republiek, waarin de afzonderlijke steden grote macht hadden, had inmiddels plaatsgemaakt voor de Bataafse Republiek. Voor het eerst had Nederland een krachtige centrale overheid. De tijd dat afzonderlijke steden als Amsterdam hun macht dwingend konden opleggen was definitief voorbij. Technische uiteenzettingen van Brunings en van zijn leerling en latere opvolger F.W. Conrad gaven de doorslag bij de besluitvorming door de nationale overheid. De juridische argumenten van Amsterdam dat een ooit gesloten overeenkomst niet veranderd kon worden, konden daar niet tegenop. 

De geschiedenis van de dijken aan de noord- en de zuidkant van het IJ is beschreven in: Diederik Aten, Paul Schevenhoven, Het IJ rond. Geschiedenis van de oude zeedijken rond het IJ tot de opening van het Noordzeekanaal in 1876 (Heerhugowaard/Leiden/Wormer 2020).

Het boek is te bestellen bij Stichting Uitgeverij Noord-Holland te Wormer. Prijs: € 19,95.