Bladzijden uit Van het collegie van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland

Het boek van François de Roos

Door: Paul Schevenhoven

Een Rijnlandse ambtenaar in de 18de eeuw die uitvoerig beschrijft hoe het hoogheemraadschap functioneert en hoe hij door zijn bestuur onheus bejegend is, waarna dit geschrift bijna twee eeuwen later door schenking in het archief van Rijnland belandt. Een mooi kijkje in de verhouding tussen bestuurders en ambtenaren 300 jaar geleden.

Handtekening van François de Roos, detail van kaart uit 1695

Afbeelding 1 Handtekening van François de Roos, detail van kaart uit 1695 (HHR, Collectie kaarten, A-0838).

Op 12 augustus 1902 overleed ir. Jan Frederik Willem Conrad, voormalig hoofdinspecteur van Rijkswaterstaat en lid van de Tweede Kamer en van Provinciale Staten van Zuid-Holland. Uit zijn nalatenschap verwierf Rijnland een boek van ruim 300 bladzijden met diverse bijlagen en een index, alles met de hand geschreven. Het boek ‘Van het collegie van dijkgraaf en hoogheemraden van Rhijnland’ bevat een beschrijving van de functies van de bestuursleden en ambtenaren van Rijnland. De naam van de auteur blijkt alleen op bladzijde 107, waar hij vermeldt: ‘Op den 17e Mey 1704 werd ik, François de Roos, aangesteld tot toeziender van den Spaarndamsendijk, de sluysen in deselve en de werken daaromtrent vallende voor het quartier van Halfwegen’.

François de Roos schreef het boek kort voor zijn dood in 1736. Waarschijnlijk was het bestemd voor zijn opvolger. Het zal niet de bedoeling zijn geweest dat de dijkgraaf of de hoogheemraden van Rijnland het boek onder ogen kregen, want over hen liet De Roos zich kritisch uit. Hij begon met een uitgebreide beschrijving van de bevoegdheden van de hoogheemraden en de dijkgraaf, gevolgd door een beschrijving van de functies van de secretaris en de rentmeester. Daarna beschreef De Roos de functies van de toezieners van de Spaarndammerdijk, hijzelf op het huis Zwanenburg in Halfweg en zijn collega in Spaarndam. De zakelijke beschrijving van functies krijgt vanaf dat punt een persoonlijk element.

Het Huis Zwanenburg te Halfweg

Afbeelding 2 Het Huis Zwanenburg te Halfweg, geschilderd door Dirk Maes in 1702. Twee jaar later betrok François de Roos dit huis en woonde hier tot zijn dood in 1736 (HHR, KGV-000005).

De toezieners waren geschoolde landmeters en beschikten over veel technische kennis om hun belangrijke en verantwoordelijke functie uit te oefenen: toezicht op de Rijnlandse dijken en sluizen langs het IJ en zorg voor uitvoering van onderhouds- en herstelwerken daaraan. De toeziener bewoonde een aantal vertrekken in het gemeenlandshuis in zijn standplaats en mocht het daar aanwezige meubilair gebruiken. Als bestuursleden van Rijnland op een van de gemeenlandshuizen verbleven, moesten de toezieners zorgen voor het logies en voor het eten en drinken van de heren.

De Roos beschreef de arbeidsvoorwaarden waarop zijn vroegere Spaarndamse collega Zeger Wolfsen in 1690 was aangesteld en het feit dat die tijdens zijn loopbaan een aantal emolumenten was kwijtgeraakt. De Roos was hetzelfde overkomen. Het gebruik van land en van visserijen bij de sluizen in Halfweg was hem ontnomen en aan de meestbiedende verpacht. Bezuinigingen en het doel meer inkomsten voor Rijnland te verwerven waren ten koste van de toezieners gegaan. De hoogheemraden hadden in 1725 zelfs besloten de functie van toeziener te Spaarndam op te heffen wanneer de oude Zeger Wolfsen zou overlijden. Toen dat drie jaar later gebeurde, liet De Roos weten dat het onmogelijk was om één man toezicht te laten uitoefenen op de Rijnlandse IJ-dijken van Santpoort tot Amsterdam. Daarop besloten de hoogheemraden toch weer een toeziener in Spaarndam aan te stellen, de Rijnlandse landmeter Antony Velsen. Hij kreeg alleen daggeld en vrije woning, geen vast salaris of andere toelagen. Ook stond in zijn arbeidsvoorwaarden dat hij bij vergaderingen of maaltijden van de Rijnlandse bestuurders in Spaarndam alleen aanwezig mocht zijn als hij daartoe was opgeroepen. Velsen vond de functie zo ontbloot van eer en voordelen, dat hij de aanstelling weigerde. Na wat kleine aanpassingen in de arbeidsvoorwaarden ging hij toch akkoord.

Erger dan het kwijtraken van emolumenten en van vergoedingen die hij aanvankelijk had genoten, vond De Roos het gebrek aan waardering en soms zelfs regelrechte vernedering van de kant van het bestuur. Zo beschreef hij hoe hij op 31 maart 1735 in zijn rijtuig aan de dijkgraaf en twee hoogheemraden verslag had gedaan van het feit dat er aan één van de sluizen in Halfweg geknoeid was en meegedeeld had welke maatregelen hij had genomen. De heren hadden elkaar aangekeken en verder niets gezegd. Later op de dag kreeg hij een uitbrander van hoogheemraad Pieter van Leyden over een verbetering van de dijk die de hoogheemraad als onnodig beschouwde. De Roos trok het zich zeer aan. Hij kon er niet van slapen en kreeg een jichtaanval in zijn beide voeten en linkerknie, die hem ondragelijke pijn bezorgde. Daarnaast kreeg zijn vrouw kreeg een beroerte, die haar tijdelijk halfzijdig verlamde en haar spraakvermogen aantastte. François de Roos, 45 jaar in dienst van Rijnland, eerst als landmeter, later als toeziener, was aan het eind van zijn krachten. Op 21 april schreef hij een brief aan hoogheemraad Van Wassenaer-Twickel waarin hij wees op zijn gevorderde leeftijd (67) en die van zijn vrouw (69) en op hun lichamelijke toestand. Zijn vrouw en hij waren weliswaar enigszins hersteld, maar hij kon alleen lopen als hij door anderen ondersteund werd. Als hij over voldoende middelen had beschikt, zou hij ontslag gevraagd hebben. Nu vroeg hij om raad, want hij wilde niet zonder voorbereiding bij dijkgraaf en hoogheemraden een verzoek om een honorarium of jaargeld indienen. De Roos schrijft niet dat hij antwoord kreeg. Hij kreeg in ieder geval geen pensioen. Anderhalf jaar later overleed hij, nog steeds in functie.

Bladzijden uit Van het collegie van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland

Afbeelding 3 Bladzijden uit ‘Van het collegie van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland’(HHR, inv.nr. 1.1.1/Div-3).

Zeventig jaar later werd de functie van toeziener door dijkgraaf en hoogheemraden meer gewaardeerd. De Roos was ongetwijfeld deskundig en ervaren, maar gedurende de 18de eeuw gingen de Rijnlandse toezieners steeds meer op wetenschappelijke basis werken en werden zij ook buiten Rijnland actief. Nicolaus Cruquius, opvolger van Cornelis Velsen als toeziener in Spaarndam, introduceerde het doen van meteorologische waarnemingen bij Rijnland. Jan Noppen, opvolger van François de Roos te Halfweg en later werkzaam in Spaarndam, werd lid van de in 1752 in Haarlem opgerichte Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen. De door Noppen in dit gezelschap geïntroduceerde Christiaan Brunings werd toeziener in Halfweg en speelde daarnaast een grote rol in de Nederlandse waterstaat van de late 18de eeuw. In 1798 kwam hij aan het hoofd te staan van de toen opgerichte nationale waterstaatsdienst die later bekend werd als Rijkswaterstaat. Zijn pupil en opvolger Frederik Willem Conrad droeg de juiste argumenten aan waardoor Rijnland bij de provinciale en nationale overheid gedaan wist te krijgen dat de Slaperdijk ten westen van Spaarndam, eindelijk op voldoende hoogte gebracht kon worden. Het machtige Amsterdam had bijna twee eeuwen lang Rijnland kunnen dwingen om die dijk laag te houden, met als argument dat daardoor het overstromingsrisico voor Amsterdam verminderd werd. Conrad schreef een boekje waarin hij op grond van berekeningen aantoonde dat dit onzin was. Dit overtuigde de hogere besturen. In de vergadering van dijkgraaf en hoogheemraden werd Conrad hiervoor gehuldigd. Conrad moet het boek van François de Roos in huis gehad hebben. Bijna een eeuw later liet zijn kleinzoon het na aan Rijnland.

Bron­nen en li­te­ra­tuur

  • Archief van het hoogheemraadschap van Rijnland (1255-1857), inventarisnummer 1.1.1/Div-3 “Van het collegie van dijkgraaf en hoogheemraden van Rhijnland”. Beschrijving van de functies van het bestuur en van de bestuursleden en ambtenaren elk in het bijzonder, z.j. (waarschijnlijk 1736). Met retroacta, 1665-1736. Met een index.
  • Diederik Aten, Paul Schevenhoven, Het IJ rond. Geschiedenis van de oude zeedijken rond het IJ tot de opening van het Noordzeekanaal in 1876 (Heerhugowaard/Leiden/Wormer 2020); Blz. 90 tm 93.